Georg Horvath is uit zijn humeur

Een verhaal van Saša Stanišić
Vertaling uit het Duits door Kees Wallis

Georg Horvath hoeft Rio niet meer te zien. Hij trekt het zonneschermpje naar beneden, hoewel net de melding kwam over het optrekken van de zonneschermpjes, over het opklappen van de tafeltjes, over het rechtop zetten van de rugleuningen: wilt u er alstublieft voor zorgen dat.

Georg Horvath betrapt zijn innerlijke stem op het allitererend substantiveren en halfslachtig intoneren van de meldingen, en zouden zonneschermpjes ’s nachts niet anders moeten worden genoemd?

Te veel inflight Riesling en al dertig uur zonder slaap en een buurman uit het Verre Oosten, die nu al weer een zuurtje in zijn mond stopt. Hoeveel zuurtjes kan zijn kleine maag aan? De hele vlucht heeft de Aziaat zuurtjes gegeten en na elk zuurtje heeft hij het papiertje zorgvuldig tot een vierkant gevouwen om het in zijn stoelzak op te bergen.

Georg Horvath heeft hij genegeerd, en normaal gesproken zou dat diens instemming hebben gehad. Maar deze keer had hij de indruk dat de Aziaat hem actief negeerde, alsof hij hem wilde laten weten: niet met jou – liever met de zuurtjes.

Georg Horvath wilde niet actief genegeerd worden, hij zwengelde een gesprek aan, werk of ontspanning?, maar zijn buurman zei ‘neither’ en zette het geluid van zijn film harder.

Om zijn zinnen te verzetten liep Georg Horvath nog een laatste keer de stukken van de overeenkomst door, en toen hij zijn brandende ogen eindelijk sloot om te slapen, verliet het vliegtuig zijn vlieghoogte, ‘dames en heren, goede morgen vanuit de cockpit’, daarbij het weer in het Duits, Engels, Portugees, de piloot kon er maar geen punt achter zetten, hoeveel valt er eigenlijk te vertellen over een zonnige dag in Brazilië?

In het nauw gedreven door zo veel taal, die als een zwerm insecten uit de vreselijke luidsprekers zoemde en klierde, had Georg Horvath zijn ogen weer opengedaan. Zijn blik werd net als bij een insect naar het licht gezogen van de miljoenvoudig glinsterende stad, en dat was het moment waarop bij hem het beeld opkwam van een zee van lichtjes.   

Maar hij herkende in de lichtjes niets van een zee. Niet de stroming van water, geen golven of windstilte. Ook een zee van licht zou toch diepte hebben en niet gespikkeld zijn, maar bestaan uit een ononderbroken helder vlak, zoals de Aziaat op de stoel naast hem een ononderbroken vlak Aziaat was en het zonneschermpje ononderbroken een zonneschermpje.

Georg Horvath ging op zoek naar een passender beeld. Voor Rio en meer in het algemeen voor grote-steden-van-bovenaf-in-de-nacht.

Lichttapijt? Je kon de straten per slot van rekening altijd nog als een patroon zien. De randen van de stad als een franje waar de lichtpunten schaarser werden.

Schaarser.

Maar de heuvels. Geen enkel tapijt had hobbels.

Stedelijke glimwormpjesplaag. Jezus, Horvath.

Bij de geïllumineerde waterpokken van de metropool was hij toe aan een volgende inflight Riesling, maar in de aanloop naar de landing was er in de businessclass niet eens meer Riesling te bestellen.

De echte zee tekent zich ongenaakbaar zwart af tegen de zee van lichtjes. Hij zou Regina moeten schrijven: ‘De geïllumineerde golven van Rio slaan tegen de ongenaakbaar zwarte rotsen van de oceaan.’ Het brengt haar in verwarring als hij poëtisch wordt.

Georg Horvath is geen nerveuze man. Maar hij drijft al te lang in de zee van lichtjes en graag zou hij een ontspannen zwemmer zijn. De Aziaat is nerveus. Dat zou de zuurtjes verklaren. Iets anders heeft hij niet gegeten of gedronken, in plaats daarvan achter elkaar diverse ruimtefilms bekeken of een heel lange ruimtefilm. Nu klakt hij met zijn tong en staart naar de armleuning, en daar zijn ze: Georg Horvaths duim en ringvinger, krachtig tegen het kunstleer tikkend, en vanuit zijn ogen vuurt de Aziaat laserstralen af, om in de sfeer van de scifi te blijven.

De taal heeft Georg Horvath uit zijn humeur gebracht, niet Rio; nog voor hij ook maar een voet op Braziliaanse bodem heeft gezet, wordt Brazilië voor hem door een gebruik verpest. Is einen Fuß setzen auf  noem je zo’n soort slecht Duits? Engels-Duits, hoe Duits? Georg Horvath spreekt te veel Engels, dat brengt zijn beroep met zich mee.

Als bedrijfsjurist moet hij eveneens precies zijn en zijn teksten ondubbelzinnig redigeren, tenzij hij voor de wederpartij een val wil zetten. Elk woord moet op een goudschaaltje worden gewogen, want elk woord kan tot meningsverschillen leiden. Maar aan dergelijk taalgebruik zijn beelden wezensvreemd, en de regels en wetten waaraan hij zich bij het formuleren moet houden, laten geen dubbelzinnigheid en geen gezwam toe. Misschien is dat nog het enige waaraan hij aardigheid beleeft in zijn beroep: niet te kunnen experimenteren. Maar misschien is dat ook iets waardoor het beroep hem is gaan tegenstaan.

Jaren geleden publiceerde Georg Horvath onder pseudoniem uit liefdesverdriet een gedichtenbundel, elk gedicht stond voor telkens een dag van de stukgelopen relatie, het waren er vijftig, en de redactrice, een heel oude vrouw die haar eigen theezakje had meegenomen naar hun enige persoonlijke ontmoeting, had het hardnekkig over zijn ‘oorlogslyriek’ en Georg Horvath had haar toen niet gecorrigeerd; a) het beviel hem wel dat iemand iets zo totaal anders las in wat hij geschreven had, het waren niet eens woedende gedichten en b) iemand die zo stokoud is en nog plezier in het leven heeft corrigeer je niet, die gun je elke vrolijke misvatting. In elk geval heet de gedichtenbundel Onvoorwaardelijke capitulatie van de weermacht, dat was haar idee geweest en Georg Horvath had gezegd dat hij de titel zeer, zeer goed vond.

Nu zou hij wel de redactrice op de stoel naast zich in het vliegtuig willen hebben in plaats van de Aziaat. Ze zou zeker een goede oplossing weten voor Rio in de nacht van bovenaf, iets met westelijk front misschien, met lichtspoormunitie of muur van vuur.

Zoals de eerste nacht van het Ardennenoffensief van ’44.

De naam van de redactrice is Georg Horvath vergeten.

Terwijl het vliegtuig duizend meter boven de zee de zee van lichtjes tegemoet vliegt, dwingt Georg Horvath zichzelf na te denken over zijn beroep, over de afspraak vanmiddag in Paraty, op vier uur afstand van de zee van lichtjes. Hij zou de basisgegevens van de overname nog een keer de revue kunnen laten passeren, de paar overgebleven juridische onduidelijkheden, kleinigheden. Vaak kwam de brouwerij nog met last minute wensen; om bij de bespreking direct antwoorden paraat te hebben zou hij kunnen proberen zich voor te stellen hoe zij van de Cervejaria Vogelbräu eruit zouden zien. Meestal ging het om de bescherming van de naam van het product en om de werkgelegenheid van het zittende personeel na de overname.

Eigenlijk was het deze keer helemaal niet Georg Horvaths werk. Hij ging dan wel als legal counsel naar Paraty, maar de Braziliaanse collega’s waren eindverantwoordelijk. Contract manager was een man genaamd Arnaldo Ávila die op e-mails die geen uitdrukkelijke vraag bevatten ook niet reageerde. Georg Horvath vond dat sympathiek en zenuwslopend. Hij zou zich direct als ondergeschikte van Ávila moeten opstellen. Kon hij helemaal niet meer, bij andere gelegenheden stelden anderen zich ondergeschikt aan hem op. Het inspannendste werk wachtte Georg Horvath in de pauzes: de small talk met vreemden.

Eindverantwoordelijk? Zenuwslopend?

Hij had Powala kunnen sturen. Misschien moeten sturen. De jongen was eerzuchtig genoeg en meer dan gekwalificeerd, en voor Zuid-Amerika stond hij te trappelen. Die had prima achter de zwijgzame Ávila kunnen staan en zou er met zijn smalle dassen patent hebben uitgezien.

De aankoop van de Cervejaria Vogelbräu met zijn twintigduizend hectoliter per jaar was een klein project. Vogel heette de eigenaar, Hartmut Vogel. In de jaren negentig geëmigreerd van het Bodenmeer naar Brazilië. Uit protest ergens tegen, zoals Georg Horvath hoopte.

Vogelbräu brouwde een voortreffelijke Indian Pale Ale – het Vogelbräu Landbier – die buiten de drie huisbrouwerijen in Paraty acceptabele omzetten scoorde tot in Rio. Het gold als hét bier van dat moment, inclusief Duits reinheidsgebod.

Al in zijn tweede e-mail aan Georg Horvath had Vogel zich Hartmut genoemd. Met de contractbepalingen was hij snel akkoord. Financiële problemen vermoedelijk, maar daar had Georg Horvath niet naar gevraagd, ook niet nadat Hartmut was begonnen zijn zinnen met smileys te ondersteunen en ondertussen zomaar links naar grappige YouTube-video’s te sturen. Zolang de boeken maar kloppen, hoeven redenen voor de verkoop van een brouwerij Inbev niet te interesseren.

Georg Horvath had de naam gegoogeld. Alle Hartmut Vogels leken fysiotherapeut of tandarts te zijn, meer kwam hij over de Braziliaanse Vogels niet te weten. Hij stelde hem zich voor als iemand die veel had beleefd en zich al tijdens zijn belevenissen voornam later te vertellen over wat hij nou net beleefde. Een man vol anekdotes dus, aan elke tafel graag gezien. Maar de laatste jaren was er weinig spannends meer bijgekomen, hij betaalde de tol voor de brouwerij, zijn gezin, zijn lichaam, hij begon zich te herhalen.

In Georg Horvaths verbeelding droeg Vogel een snor, was hij gebruind en zat hij met zijn volwassen, gebruinde kinderen en hun gebruinde geliefden bloedserieus te blowen op een terras met uitzicht op de oceaan. Een man die zich zijn eigen bier goed liet smaken. Een man die niet bang was voor muskieten – of er een heel goed middeltje tegen had dat hij stilletjes achter zijn oorlellen spoot.

De zee, de zee van lichtjes.

Georg Horvath snuift zijn eigen adem op. Georg Horvaths adem ruikt naar inflight Riesling. Zijn eerste glas dronk hij bij het inflight pokeren. Hij speelde tegen andere slapelozen en hield er na koppig bluffen misnoegd en snel mee op. De stewardess vroeg of de Riesling hem beviel, en dat kan Georg Horvath niet, bezwaar maken tegen kosteloze spijs en drank, en dus verzekerde hij haar dat de Riesling heel voortreffelijk smaakte, een verrassend lekkere inflight Riesling was. Verzeker je iets met enthousiasme en versterk je het ook nog met ‘voortreffelijk’, dan kun je niet zomaar ophouden met het drinken van inflight Riesling.

‘No inflight Riesling for you?’

De Japanner staarde naar het buitenaardse.

Dus dronk Georg Horvath alleen verder, en daarbij had hij het aangename en tegelijk onaangename gevoel de stewardess een plezier te doen. En doe je iemand met het drinken van inflight Riesling een plezier, dan moet je er pas echt mee doorgaan, om het even hoe het na anderhalve fles met je persoonlijke lichaams- en taalgevoel is gesteld.

Maar drink je zes uur lang inflight Riesling, dan moet je daarna ook niet raar staan te kijken als je adem naar Baden-Württemberg ruikt.

Of was het een Riesling uit de Elzas?

‘Alsace’, franslispelt Georg Horvath tegen zichzelf, de vreemde landstreek welgezind, wat zou je ook tegen de Elzas hebben. Franslispelen. Georg Horvath krijgt van het franslispelen kippenvel op zijn bovenarmen.

Rio, het natuurlijkste kippenvel van Brazilië.

Hartmut Vogel schreef in een van zijn persoonlijkere e-mails: wat er ook gebeurde, hij zou het leven in de rimboe nooit voor een ander verruilen.

Georg Horvath kon zich Georg Horvaths leven op elke plaats indenken. Ook in de rimboe. Hoofdzaak – hoofdzaak wat? Toen hij in 1982 na zijn studie van Heidelberg naar Bremen vertrok en met zijn werk begon, luidde de hoofdzaak: een goede start maken met zijn carrière, hard werken en geld verdienen. Bremen had elke andere Duitse stad van gemiddelde grootte, gemiddelde naargeestigheid kunnen zijn.

Hoofdzaak, goede opdrachten, hoofdzaak, spannende projecten, had het een paar jaar later geklonken, en ’s zomers vanuit de gemiddelde naargeestigheid van gemiddelde grootte de benen nemen naar een gebied met minstens vijf zonneschermen per ingezetene.

Tussen 1988 en 1996: hoofdzaak, veel tijd met Regina doorbrengen. De carrièreladder verder op, maar in het weekend geen werk mee naar huis, geen overuren.

Vanaf 2000 de leidinggevende positie. Ging gepaard met een deur die je dicht kon doen. Dat die deur zich in Bremen bevond, maakte Horvath niet uit. Hoofdzaak was geweest: ook eens alleen te kunnen zijn op kantoor, dagdromen, zonder dat iemand met zijn vingers knipte. Op dinsdagmorgen een boek lezen. Hoofdzaak was, je stoorde niemand en je werd niet gestoord.

Maar voortdurend klopte er iemand aan en wilde iets.

Dus pachtte Georg Horvath in 2001 op de Lüneburgerheide een tuinhuisje. De hoofdzaak was nu: met de auto naar buiten. Kijken naar het hoge gras in de wind en het hoge gras in de wind keek niet terug, maar deed wat het hoge gras doet in de wind, in de zon.

In de veronderstelling dat Regina in Bremen zou blijven. Met Regina kwam de hark naar het tuinhuisje en kreeg het onkruid betekenis. Met Regina stonden Ursula of Birgit op de stoep en het stuk grond was te klein om aan hun gesprekken te ontkomen. Voor Georg Horvath was een thuis het tegenovergestelde van alles te verstaan waarover vriendinnen die elkaar zelden zagen het met elkaar hadden.

Een keer kwam Birgit onaangekondigd, wilde Regina verrassen. Maar die had diensten geruild en was thuis gebleven. Dus zat Georg Horvath twee uur voor het huisje bessen te eten en over bessen te praten met Birgit, want waarover praat je anders met iemand die alleen maar met je praat omdat ze op je vrouw gesteld is en die toevallig biologe is en waanzinnig veel van bessen weet? De vier uur leken er wel zes voordat de bessenbiologe na voor zijn gevoel acht uur zei: ja, ze moest maar weer eens terugrijden, ze zat ook maar bij Georg, dus alleen –

En nu was het zo dat Georg Horvath naar Brazilië vloog, niet omdat hij een opdracht of een spannend project had of omdat Brazilië hem bijzonder interesseerde, maar omdat hij er zo goed als niets te doen zou hebben. De hoofdzaak was dus drie dagen van zijn leven op een warme, naar het zich liet aanzien chique plaats meervoudig overbodig te mogen zijn.

Ook thuis zou hij overbodig geweest zijn, maar dan zou hij onder druk hebben gestaan om zich nuttig te maken. Want voor Regina was thuis een plek die voortdurend geoptimaliseerd moest worden, schoongemaakt, opgeruimd, opgeknapt. Alleen door voortdurend aan thuis te werken bleef thuis een thuis.

Georg Horvath vond dat best en wilde wel helpen, maar hij maakte de ene fout na de andere. Hij kocht onrijpe avocado’s, vouwde de sprei zo op dat Regina hem op een andere manier nog eens moest opvouwen, ruimde spullen op die in de weg stonden, maar later bleek dat dan juist Regina’s bedoeling te zijn geweest, de lila bloemenvaas bijvoorbeeld stond op de trap naar boven permanent in de weg, maar moest daar toch blijven staan, ongeacht wat Georg Horvath daarvan vond. Georg Horvath vond vazen op trappen principieel problematisch, zelfs gevaarlijk. Hij streed tegen de vaas, terwijl hij hem Regina toch cadeau had gegeven. Nadat Regina hem had uitgekozen.

Georg Horvath doet zijn ogen dicht. In elk geval heeft hij de zee van lichtjes even weggedrukt. Maar niet met iets moois. Hij moet weer aan de sprei denken die hij zelfs dan verkeerd opvouwt als hij denkt dat hij hem precies zo opvouwt als Regina.

Georg Horvath doet zijn ogen open. Hij zou zich wel theatraal voor zijn kop willen slaan of ‘Concentreer je, Horvath’ willen roepen, maar hoe zou dat eruitzien in de ogen van de Aziaat?

Hij vouwt de Lufthansa–deken tot een vierkant op en vraagt zich af of dat strookt met Regina’s vouwideeën of met Aziatische vouwideeën.

En wat moet hij verder met die deken aan? Hij komt hem volslagen nutteloos voor. Hij is dun. Op de een of andere manier stekelig. Hij kan zich niet herinneren hem gebruikt te hebben. Georg Horvath is een grote man. Georg Horvath heeft het niet koud. Georg Horvath houdt wel van stekelig.

Vouwideeën. Vouwfilosofie. Vouwrestrictie.

Met zijn vingertoppen pluist hij de haartjes van de deken af. Zijn het wel haartjes? Zijn het niet eerder vezels? Hij zou de deken in elkaar kunnen frommelen en onder de armleuning schuiven, maar hij zou het zorgvuldig opgevouwen vierkant liever niet verknoeien.

Zeg je wel in elkaar frommelen in dekenverband?

Zeg je wel verknoeien in vierkantverband?

Hij zou hem op de grond kunnen leggen, maar dat lijkt hem wat slordig.

Weer kijkt de Aziaat zijn kant op. Hij zit op zijn Lufthansa-deken. Hij kijkt zijn kant op alsof hij wil zeggen: maar ik zit op mijn Lufthansa-deken. Georg Horvath vindt het idee fantastisch, maar kan het natuurlijk niet na-apen. De Aziaat gaat nu ook nog naar het toilet, rebellerend tegen het gordel-verplicht-signaal.

En Georg Horvath doet het bagagevak open, de ene koffer is van hem, de andere moet van de Aziaat zijn, hij kijkt om zich heen, niemand let op hem, hij opent de vreemde koffer, stopt de deken erin, sluit de koffer en gaat weer zitten. Zijn hart tikt als een voortdurend in- en uitklappen van het landingsgestel. Georg Horvath is een tevredener mens dan de man die hij zo-even nog was.

Een aanraking op zijn schouder – hij duikt in elkaar. De ogen van de aanraking zijn rooddooraderd, een paar plukken haar hebben het kapsel vaarwel gezegd, het is de stewardess, zou hij voor de landing het zonneschermpje willen optrekken.

‘Moet het op dit uur niet maneschermpje heten?’ vraagt hij, resoluut.

De aanraking zegt: ‘Nee.’

Georg Horvath trekt het zonneschermpje op, maakt daarna de aanraking zijn excuus, ze hoort het niet of negeert hem. Hij kijkt uit het raampje en ziet de lichtjes. Eventjes geniet Georg Horvath van de lichtjes van de grote stad.

Maar waarom moest ze zo nadrukkelijk de landing noemen die toch zonder enige twijfel net was ingezet, wat had dat te betekenen?

De Aziaat is weer terug. Het entertainmentprogramma is afgelopen, toch drukt hij op de knoppen.

Georg Horvath trekt zijn schoenen aan, hij kreunt bij zijn veters, meer sport, minder koolhydraten, in de businessclass is niemand dik, in de businessclass is iedereen businessclass.

Ipanema, denkt Georg Horvath, Copacabana. Jezus op de berg. Samba. Meer schiet hem niet te binnen bij Rio, maar wat zou iemand uit Rio van Bremen weten?

De zee, de zee van lichtjes.

Een paar jaar geleden had Georg Horvath op een vlucht naar Sjanghai aan de stewardess gevraagd waarom de zonneschermpjes voor de landing eigenlijk opgetrokken moesten worden. De jonge vrouw was hem opgevallen omdat ze steeds opnieuw geruime tijd naar het toilet verdween en zich al gauw van haar vest en haar hoedje ontdeed.

‘Misschien,’ zei ze terug, ‘zodat je kunt zien wanneer de vleugel in brand staat?’ Daarbij haalde ze onverschillig haar schouders op.

Haar openhartigheid had Georg Horvath onverhoeds getroffen. ‘Vanaf waar ik zit, zo ver naar voren, kun je de vleugel toch helemaal niet zien,’ zei hij, en dat was inderdaad zo, dus misschien stond de vleugel juist in brand zonder dat hij het kon zien. Van schrik bestelde hij een borrel.

Zo kort voor de landing mag er geen sterkedrank meer geserveerd worden, zei de stewardess, liep weg en kwam met twee glazen sterkedrank terug. Ze hadden met elkaar geklonken.

Wat werkte dat goed! Onprofessioneel gedrag. Sindsdien fantaseert hij er telkens weer over zelf uit zijn rol te vallen. Zakenpartners belabberd te behandelen, afspraken te verzuimen en huiselijke verplichtingen. Het enige wat hij tot dusverre gedaan had, was Powala’s diensttelefoon op Turks te zetten. Niemand kwam op de gedachte dat het de baas was geweest.

1
Foto: onbekend

In de zee van lichtjes zwemt nu de landingsbaan. Een zeemonster. Terwijl hij zijn neuswortel masseert, stelt Georg Horvath zich een reuzenslang voor omdat hij zich een reuzenslang in de zee van lichtjes voorstelt.

Regina is in alles professioneel. Georg Horvath vermoedt dat ze haar patiënten opent, geneest en weer sluit met dezelfde perfectie en dezelfde felheid als waarmee ze aubergines opensnijdt, inkookt en ze daarna in glazen potten stopt. De laatste paar jaar laat ze bij de seks nog maar twee posities toe. Professioneel daaraan is dat het daarbij gaat om de enige posities die haar tot een hoogtepunt kunnen brengen. Ingeval Georg Horvath lang genoeg volhoudt. Hij hoeft ook niet veel te doen, het is zelfs beter als hij alleen maar rustig blijft liggen, zodat ze zich kan concentreren.

‘Ik wil niet dat we als dieren neuken,’ had ze hem een keer gezegd toen hij hoopvol een variant voorstelde.

Op welke diersoort ze dan het oog had? Hij had het bijna gevraagd, het maakte toch wel verschil, nijlpaard of wijngaardslak.

Hij liet het er maar liever bij, hij had al lang door dat het er Regina bij de seks uitsluitend om ging iets voor zichzelf te doen.

Kon hij zich bij zijn taalgebruik maar net zo onbekommerd in de taal schikken als Regina bij haar seks in de seks. In zijn eigen taal, niet in taal in het algemeen. Preciezer: in het onder woorden brengen van gedachten, in het formuleren, in het zeggen. Preciezer: in dat wat tot uitdrukking moest worden gebracht. Preciezer: kon hij maar altijd precies zijn. Het vruchteloze verlangen het juiste te zeggen.

Maar misschien zou hij er ook snel verveeld door raken.

De wielen tikken het asfalt aan, het vliegtuig komt tot stilstand.

Hij vroeg Regina een keer – vakantie aan het Bodenmeer 1992, 1992? 1992! – vroeg haar dus wat zij in hem het meest waardeerde. Het antwoord kwam onverbloemd, alsof ze de vraag had verwacht. ‘Je ongecompliceerdheid, je ondubbelzinnigheid en je loyaliteit.’

Georg Horvath is er zeker van dat ze nu noch ‘ongecompliceerd’ noch ‘ondubbelzinnig’ zou kiezen. Welke termen zouden hem nu recht doen?

Het vliegtuig koppelt vast aan de gate.

De Aziaat springt op en opent het opbergvak. Hij houdt zijn koptelefoon in zijn hand en stopt hem los in het voorste vak.

Georg Horvath zegt tegen iedereen die een uniform draagt thank you. Hij passeert de Aziaat nog in het gangpad, is als eerste door de douane. In de aankomsthal wuiven mannen met krakkemikkige naambordjes zich de bedompte hallucht toe. Ook in hun richting fluistert hij thank you. En glimlacht. Georg Horvath glimlacht.

 

IT’S OKAY. IT’S DUS NOT OKAY

Een beetje opzij ontdekte hij zijn naam op een krom stuk karton. Ongeveer zijn naam; Horwath staat er, schots en scheef als met kinderhand neergekrabbeld. Het naambord ligt op de knieën van een man die met de handen over zijn buik gevouwen op een bank zit te slapen.

Georg Horwath gaat stilletjes naast hem zitten. Hij zou niet graag een chauffeur wakker maken die zo’n groot slaaptekort laat zien, en evenmin diens gebrek aan dienstvaardigheid blootleggen nog voor de lange gemeenschappelijke reis ook maar is begonnen.

Mensen komen de luchthaven binnen, verlaten de luchthaven, manoeuvreren om elkaar heen, eten en geeuwen. De slaper is keurig geschoren, zijn haar dik en zwart. Hoe het ongeveer aanvoelt? Georg Horwath laat zijn hand zacht op het hoofd van de chauffeur neerkomen.

Zacht op het hoofd, denkt Georg Horwath.

Dan opent de ander ogen van het donkerste blauw, zijn blik nog half naar binnen gericht en vol dromen. Heeft hij de aanraking gevoeld? – Georg Horwath wijst naar het naambord.

De chauffeur likt zijn droge lippen, haalt uit zijn jasje een plastic fles zonder etiket. Terwijl hij drinkt, monstert hij Georg Horwath zonder gêne.

Zonder gêne.

Georg Horwath constateert dat de chauffeur precies hetzelfde aanheeft als hij. Grijs jasje, wit overhemd, blauwe spijkerbroek, bruine leren schoenen. Alleen sjofeler. Een vlek ontsiert de kraag van zijn overhemd. Het jasje zit flodderig, de chauffeur is een tengere man.

De fles is leeg, hij veegt met de rug van zijn hand over zijn lippen. Georg Horwath vindt dat best, die vertrouwelijkheid. Het liefst zou hij meteen zelf over zijn lippen strijken, ze voelen ineens zo vochtig aan, maar hoe zou dat eruit zien?

De chauffeur zegt iets in het Portugees, een groet, een excuus, een naam? Hij sleept Georg Horwaths koffer al naar buiten, Georg Horwath volgt hem gedwee. Hij is in de zee van lichtjes aangekomen en laat zich meedrijven, er staat een flinke stroming, het waait op de parkeerplaats.

Hij vindt alles best: dat er wat lantaarns stuk zijn en de nacht eronder donkerblauw als de ogen van zijn chauffeur. Dat de inflight Riesling weldadig achter zijn voorhoofd tintelt. En dan is de auto waarmee hij wordt afgehaald ook nog een bulli, een oud VW–busje. De chauffeur houdt de passagiersdeur voor hem open, fluit zachtjes, fluit mooi.

Aan de achteruitkijkspiegel bungelt een rozenkrans van plastic en een ketting met een Madonna-portret, de zangeres dan wel. De chauffeur heet Ali, Georg Horwath heeft dat net besloten, maar ondanks twee keer vragen weet hij dat niet zeker, en iemand drie keer zijn naam te laten zeggen, dat kun je niet maken.

Ze rijden het terrein van het vliegveld af, er is nauwelijks verkeer op de brede weg. Veel rijstroken voor rechtdoor, denkt Georg Horwath. Kleine stalletjes, krotwoningen langs de weg, reclame op reclameborden, reclame op krotwoningen, reclame op reclame. Telecommunicatie, alcohol, autobedrijven, bloesjes. Pendelaars bij bushaltes, rokend, suffend, scholieren bij bushaltes, rugzak over de schouder, knieën stijf van de kou, het licht van hun smartphones heiligt hun gezichten.

Knieën stijf van de kou, denkt Georg Horwath.

Heiligt hun gezichten, denkt Georg Horwath.

Denkt Georg Horwath, denkt Georg Horwath.

Naarmate het lichter wordt, wordt het verkeer dichter. Georg Horwath heeft een droge keel, en alsof de chauffeur het gemerkt heeft graait hij onder zijn stoel en reikt hem een Coke Zero aan.

Hij heeft geen taal gemeen met de chauffeur, en die is niet in de yes-yes-stemming, die vaak ontstaat als tussen vreemden het zwijgen te beklemmend is geworden. Kort na Rio probeert Georg Horwath het met het klimaat van Zuid-Amerika in directe vergelijking met het klimaat van Bremen, daarna met ‘Look – the sun is rising, de zon, sun, sol? Mooi, no?’ En nu zet hij zich rigoureus over iets heen en beproeft een vermoedelijk toch risicoloos onderwerp: ‘Coke Zero tastes not like true Coke.

En kijk, de chauffeur trekt zijn lippen op.

‘Si,’ zegt hij en na een pauze: ‘No,’ en hij steekt zijn duim op.

Georg Horwath leunt achterover en laat zijn blik omhooggaan over de ruige heuvels opzij van de autoweg. Is het wel goed? Bevalt het hem wat hij ziet? Het bruine, het mosgroene, de elektriciteitsmasten, de roestige watertoren, de met de staart tussen de benen afdruipende hond met drie poten, de in struiken gehangen lap, de man die gehurkt zit voor een door niets getrokken kar en naar het voorbij stromende verkeer kijkt?

Si en no. Si en no.

Twee uur later is de tweede Coke Zero leeg, en Ali koerst af op een zoals verwacht verlopen wegrestaurant, gelegen boven een stadje aan de oceaan. Georg Horwath stapt uit, rekt zich en kijkt naar de lagune beneden, naar vissersboten die waarschijnlijk geen vissersboten zijn, maar het klinkt leuker.

Hij pakt zijn smartphone, en het eerste is dat hij na zijn aankomst de vliegtuigmodus niet heeft uitgeschakeld en het tweede dat hij dat nu doet en vervolgens de melding krijgt van negen gemiste oproepen alsmede vier sms-en, waarvan de eerste luidt:

Dear Mr. Horvath, this is Maria from InBev. Welcome to Brasil! Our driver is looking for you, please call him at…

En het derde is het volgende bericht, een kwartier later: Dear Mr. Horvath, the driver tells us you are nowhere to be found. Please be so kind as to contact him.

En het vierde is: Dear Mr. Horvath, we are trying to reach you to no avail. Please call immediately when you read this.

En het vijfde: Dear Mr. Horvath, where are you?

Georg Horwath bestelt koffie en een pasteitje en gaat naast Ali zitten die hetzelfde heeft besteld en de krant leest. Hij roept Google Maps op. Ze zitten ongeveer halverwege tussen Rio en Paraty, de weg zou nu vrijwel uitsluitend langs de kust verder lopen. De koffie smaakt Georg Horwath heel goed, hij vraagt zich af of dat komt doordat hij zijn koffie in Brazilië drinkt en hoe hij de smaak zou beschrijven.

De pagina van de krant waarachter Ali verborgen zit laat een voetballer zien met de benen gespreid. Georg Horwath tikt tegen de voetbalschoen. Ali laat zijn krant zakken. Georg Horwath laat hem de smartphone zien en zegt: ‘We go to Paraty?’

Ali steekt zijn duim op: ‘Si.’ En na een pauze: ‘No.’

Fluweelzacht aroma, arm aan zuren met de zoetheid als van chocola, die voortreffelijk tot zijn recht komt. Zijn smaakzin spreekt geen taal, wijn niet, kaas niet, hij heeft geen idee of zijn koffie zo smaakt maar bespeurt de neiging andere dingen een naam te geven die voortreffelijk tot hun recht komen.

Ali’s donkerblauwe ogen komen voortreffelijk tot hun recht in zijn chocoladebruine gezicht.

De spinazie komt voortreffelijk tot zijn recht in het pasteitje.

Of zeg je de zoetheid van chocola? Kan zoetheid eigenlijk wel naar chocola smaken? Is toch cacao, is toch bitter? En hoe racistisch is het, op een schaal van een tot PEGIDA, een gezicht waar te nemen als chocoladebruin?

Georg Horwath speelt met zijn smartphone. Het laatste bericht van ‘Maria’ is van een half uur geleden, de laatste gemiste oproep volgde immediately daarna. Hij drinkt zijn koffie op, eet zijn spinaziepasteitje, urineert, wast zijn handen, en als hij opkijkt van de wasbak staat Ali achter hem in de deuropening en de reis gaat verder in langgerekte bochten. De weg is in de berg gefreesd, Ali haalt graag in maar de motor van de VW niet.

Ali zet een cd op, Sting. Georg Horwath heeft er plezier in dat Ali zacht meezingt, heeft plezier in het landschap, hier bomen, daar de zee, heeft er plezier in niet te weten waar de reis naartoe gaat, er plezier in dat op dit moment waarschijnlijk niemand behalve Ali ook maar een vermoeden heeft van waar hij is. A rimbemba you like it westwinko, on the will so berry, zingt Ali in fantasie-Engels.

Georg Horwath moet denken aan een andere zingende chauffeur, de taxichauffeur in Boekarest, vorig jaar was dat, de binnenkant van de auto versierd met fonkelende kerstboomverlichting, zijn lied I will always love you van Whitney Houston, en dat allemaal, de mooie stem, de schelle verlichting was – na de gebeurtenissen ter plekke – alleen maar consequent geweest.

Onverwacht waren de onderhandelingen uitgelopen. Pas de tweede dag werd duidelijk waarom. Er lag nog een tweede overnamebod, de Roemenen probeerden de koopsom op te drijven. Ze waren in een massief congreshotel bijeengekomen, de Roemenen met een delegatie van een kleine twintig man, er was zelfs een eigenaar van een café-restaurant bij geweest.

Zoals altijd was Georg Horvath goed voorbereid geweest. Al de middag van de eerste dag hadden de Roemeense advocaten geen behoefte meer aan discussie.

In de middagpauze van de tweede dag deed hij tegenover zijn collega’s Walter en Von Sannen net alsof hij even een uiltje wilde knappen. De waarheid was dat hij geen zin had om samen met die twee de lunch te gebruiken, het waren voetbalfans en ‘s avonds was er een of andere belangrijke wedstrijd. Bovendien had de Roemeense delegatie als smeermiddel een koud buffet laten aanrukken alsof Inbev ook met zijn twintigen was komen opdraven. Georg Horvath had uit verveling drie keer ontbeten. Een lunch was ondenkbaar.

Toen de liftdeur openging klaterde Chopin hem tegemoet. In de lift zat een reusachtige man op zijn hurken voor een piepkleine piano. Twee passagiers gaven bij het uitstappen een ingehouden applaus. Georg Horvath drukte op de 14, maar ze gingen naar beneden. De pianospeler zwaaide met beide handen, zonder dat de muziek verstomde. De lift kwam tot stilstand. Georg Horvath bedankte en stapte uit.

Hij kwam terecht in een spiegelzaal met gouden kroonluchters. Op een tafel in het midden na was de zaal leeg. De tafel was gedekt voor één persoon. Op het witte tafellaken loerden een bord, een zilveren lepel en een roos naar elkaar. Georg Horvath ging zitten en rook aan de roos. Ze rook naar roos. In het bord zat soep. Naar de kleur te oordelen mos of spinazie. Georg Horvath nam een lepel, de soep smaakte naar rozengeur. Met de achterkant van het tafellaken maakte hij de lepel schoon om zijn sporen uit te wissen.

De zaal was te verlaten door een deur die net als de muur van een spiegel was voorzien en zich daarvan alleen door de klink onderscheidde. Georg Horvath zag een enigszins gedrongen man met scheiding opzij naar de klink grijpen. De scheiding was in orde, uit gewoonte streek hij hem nog een keer glad.

De deur kon open, hij moest zich bukken voor de lage gang erachter. Het licht was beschaafd, een warm oranje. De man met de scheiding opzij begeleidde hem, een handlanger in wat misschien wel niet mocht.

In de spiegelwanden waren ramen aangebracht. Georg Horvath keek spiedend in een woonkamer, in een klaslokaal en in een kantoor. De ruimtes zagen er ongebruikt uit, netjes en vertrouwd.

De enige deur leidde naar een kleine kamer met glazen vitrines en daarin honderden vlinders op spelden. Op een barokke zuil troonde een wasbak. Georg Horvath waste zijn gezicht en handen, in de afvoer murmelden honderden vlindervleugels.

Aan de kapstok tussen de vitrines hing een blauwe jas. Georg wist dat de jas hem zou passen. In de binnenzak vond hij een duimstok en een potlood, in de borstzak een pakje sigaretten en een aansteker waarop een rups stond afgebeeld. Georg Horvath gaf zichzelf een vuurtje. Georg Horvath rookte. Georg Horvath schreef op het pakje het woord ‘vlinder’, deed een van de vitrines open en legde het pakje erin.

Hij trok de jas uit, en toen hij hem weer wilde ophangen zag hij dat de kapstok een handbreedte van de muur afstond. Hij duwde zijn vingers in de tussenruimte, de kapstok liet zich verplaatsen, gleed opzij.

‘Zozo,’ zei Georg Horvath. Met de zaklamp-app scheen hij in een kleine holte met onbewerkte muren vol – stippen? Georg Horvath stapte de holte binnen omdat, waarom ook niet?

Een kakofonie van kabaal knalde chaotisch tegen zijn lichaam, het klakte en het raspte, snerpte en scherpte, het knarste, klopte, golfde, raspte verder, viel in het slot, stofzuigde, spoelde, en iemand lachte, iemand zong, en in alles was het gestap van stappen, het gesleutel van sloten, het gewoordenwissel van woorden zo dichtbij dat het Georg Horvath aan zijn trommelvliezen kriebelde, en alles, en daarmee dus niets te verstaan was. Het botste, gonsde, klotste klotsklots, en de stippen waren in werkelijkheid gaten, kleine kraters, twee, drie centimeter in doorsnee, en iemand riep ‘Oh, là là!’, iemand riep ‘Nou! Nou! Ja!’, en een kind pruilde, iets knorde, iemand danste, een, twee, drie – het leek wel alsof hij in een spons was beland die alles opzoog wat het hotel vertelde – het smoezen van de douches, het gerol van de rolluiken, rarara, Georg Horvath verdroeg het tot hij het niet langer kon verdragen.

Hij vluchtte uit de spons, vluchtte voor de vlinders en vond zichzelf terug in een naar wandtapijten ruikende gang vol wandtapijten en dat kon niet goed zijn, spiegels zouden wel goed geweest zijn, hij rende verder, zonder zijn spiegelbeeld alle moed verloren, viel binnen door een dubbele deur die tussen de tapijten voor hem openging. Een man in livrei hield de deurklink vast. Hij glansde zijdeachtig en maakte een zwarte buiging en aan zijn rozekleurige sjerp bungelden ridderordes en broches en clips als plukklaar fruit. Een roos achter zijn oor verspreidde sigarettenrook.

I am sorry, zei Georg Horvath.

About what, sir? De man in livrei bleef gebogen staan.

Georg Horvath dacht na. I don’t really know. For being here. For who I am. For everything.

It’s okay.

Georg Horvath kwam tot rust.

De piccolo, de ober, de officier zette een stap in zijn richting, dan nog een, zijn hoofd ter hoogte van zijn buik. It’s also not okay, riep hij en versnelde zijn pas, Georg Horvath sprong op het laatste moment opzij, en de bediende, de veteraan, de heer des huizes trippelde op zachte pantoffels de leegte in. Who can be truly sorry for everything?, riep hij en ging weer op precies dezelfde plek staan. Zijn nek was zelfbewust uitgeschoren, zijn uniform grijs. Met zijn achterwerk gaf hij de muur een duw, pats deed het, de muur werd tot draaideur en daardoor verdween hij.

Georg Horvath volgde voorzichtig naar een foyer. Mannen in slip-over en pullover, mannen in groepjes dronken iets warms en aten taart. ‘Conferinţa’ stond er op een infostandaard, waarschijnlijk ook nog een naam – Georg Horwath op de weg langs de kust naar Paraty herinnert zich niet welke, dus zegt hij tegen Ali enkel ‘mannen in conferentie’ en Ali knikt.  

Net heeft hij zich – zo gaat Georg Horwath verder – van een kop thee voorzien of er klonk een gong en de groepjes mannen vielen als in paniek uit elkaar, bekers en kopjes werden haastig op tafels gekwakt, de mannen in slip-over en pullover drongen ijlings een steil auditorium binnen.

Georg Horvath volgde hen. Achter hem sloot een dwerg – Georg Horwath verontschuldigt zich tegenover Ali, hij weet gewoon niet hoe je heel kleine mensen op de juiste manier aanduidt – de dwerg sloot dus de deur met een reusachtige sleutel, aan het uiteinde waarvan een heel kleine sleutel zat. Hij schonk Georg Horvath een lachje vol scherpe tanden en verdween door een luik in de muur. Georg Horvath ging in de buurt van de deur zitten naast een man in een zalmkleurige pullover.

Een andere man in een zalmkleurige pullover kwam het podium op, zei een paar woorden in het Roemeens en wees in de hoge diepte van de ruimte waar een man in een slip-over opstond en zich naar het podium hoestte. Hij was lang en sterk maar liep gebogen en aarzelend naar voren als iemand die zwak en klein was.

Helaas was zijn lezing in het Roemeens. De enige woorden die Georg Horvath meende te verstaan luidden ‘kafkaeskul’ en ‘groteskul’. Hoe langer de spreker aan het woord was, des te harder hij hoestte. Op de rangen gingen de belangstelling voor de lezing en de belangstelling voor de vraag of de man die de lezing verzorgde zijn lezing zou overleven in elkaar op.

Georg Horvath meende weer een ‘kafkaeskul’ beluisterd te hebben. Ging het soms om Kafka? Net als elke tweede geletterde Duitse beoefenaar der geesteswetenschappen kon Georg Horvath de eerste zin van de Gedaanteverwisseling bijna woordelijk citeren en had hij op school drie tot vijf Kafka-parabels leren interpreteren, waarvan er hem maar een was bijgebleven. Meer zou hij vandaag ook niet te weten komen – de lezing was afgelopen. Iedereen leefde nog.

Ook de Q & A werd in het Roemeens gehouden en bestond uit de vijf minuten durende vraag van een man in pullover, die of geen vraag had of een ongekend goede, want na hem sprak er niemand meer.

Georg Horvath keek op zijn horloge om zich ervan te verzekeren dat de juiste tijd er niet toe deed. Bij de onderhandelingen zou hij niet gemist worden. Bovendien was hij ervan overtuigd dat de dwerg hem er niet uit zou laten voor hij zelf het podium beklommen had en een lezing hield in het Hongaars, de taal van zijn grootouders.

Hij zou hebben gesproken over het leven van alledag op kantoor en over de taal en over het feit dat de taal hem in het leven van alledag op kantoor sinds kort bij herhaling dienst weigerde. Hoe hij bij een zinswending of bij een beeld bleef steken en de eenvoudigste gedachten betwistbaar vond en om die reden onzegbaar.

De jongere collega’s legden hem het vuur na aan de schenen. Ze hekelden zijn dralen dat vanzelf ontstond terwijl hij naar de juiste woorden zocht. Zijn dubben. Zijn uitstellen van besprekingen en zijn omzeilen van ontmoetingen. Legden het allemaal uit als slapheid van hem. Als gebrek aan inzet. Als ontbrekende collegialiteit. In het beste geval als ouderdomsgebrek en teken van verflauwde passie, teken van zijn afgedaan hebben.

Georg Horwath zegt: ‘Afgedaan hebben.’ Hij herhaalt het zeven keer achter elkaar. Ali kijkt hem aan en Georg Horwath stopt ermee ‘afgedaan hebben’ te zeggen en zegt toch nog een keer ‘afgedaan hebben’.

En dat hij een hekel had aan teamwork, ook daarover zou hij hebben gesproken. Dat hij het liefste alle projecten in zijn eentje zou doen. Onmogelijk, maar ook onmogelijk was hem liever geweest dan Fischer elke week te moeten herinneren aan zijn termijnen terwijl hij wist dat Fischer al twee jaar in een vechtscheiding was verwikkeld en daar op het slagveld vier kinderen onder de twaalf rondzwierven.

Georg Horvath zou zijn lezing de titel ‘Vadertje Arbeid’ hebben gegeven.

Het beantwoorden van e-mails op zondag.

De altijd maar weer gebrekkige toelichtingen op de financiële stand van zaken van de kant van de commerciële medewerkers, die ook na meer dan twintig jaar commerciële gesprekken met hem vervelend vonden en hem naïef.

Het collectieve zwijgen over de anorexia van mevrouw Kalb.

Het bezoeken van handbalwedstrijden met Von Sannen en Walter, hoewel handbal hem nog minder interesseerde dan voetbal. Ook mevrouw Von Sannen en mevrouw Walter gingen mee, zagen echter geen minuut van de wedstrijd, maar dronken zich in de vipruimte vol esprit een stuk in de kraag met zelf gemixte alcoholica. Georg Horvath was erg jaloers op ze.

‘Ik ben nu wel erg ver van mijn onderwerp afgedwaald,’ zegt Georg Horwath tegen Ali. Eigenlijk zit hij nog bij de conferentie en probeert hij zich voor te stellen hoe het zou zijn geweest een lezing te geven zodat de dwerg hem eruit zou laten. Had natuurlijk geen speech gehouden. Trouwens, Georg Horvath heeft nooit met iemand over ‘Vadertje Arbeid’ gesproken, heeft het allemaal zonder morren doorstaan, tot vandaag, tot deze reis naar – waarschijnlijk – Paraty, tot en met het helaas puur eenzijdige gesprek met een man, Ali genaamd, die hem bij een volgende stop een brochure overhandigt die over het onderwerp ‘vogels’ gaat. Dik papier, imposante foto’s van vermoedelijk inheemse soorten, steeds met Braziliaanse, Engelse en Latijnse namen, die Georg Horwath hardop voorleest als het exemplaren betreft die hem bijzonder bevallen. ‘Onychorhynchus swainsoni’ roept hij, ‘of deze hier, kijk toch eens, Ali, Lophornis magnificus! Wat een mooie… hoe heet dat bij een vogel op zijn kop? Ik zeg nu maar even kroon, wat een mooie kroon!’

Ze zwijgen even. ‘Het is plichtsbesef, Ali. Vroeg of laat zal het je altijd weer te pakken krijgen. Een alternatief is er niet.’ Georg Horwath houdt even stil. In de brochure heeft een vogel zijn aandacht getrokken: een specht, de schreeuwerige hoofdtooi een kleine explosie van gele verf die contrasteert met de zwarte rest.

‘Dat is toch,’ fluistert Georg Horwath, ‘fantastisch’. Hij aait het gele kopje. ‘Pica-pau-de-cabeça-amarela,’ leest hij voor en Ali kijkt hem aan en grijnst en verbetert zijn uitspraak niet.

Ze rijden door een klein plaatsje, de huizen simpel, gevarieerd, ongepleisterd. Georg Horwath denkt na over ongepleisterd. Georg Horwath denkt na over zee van lichtjes en dat het misschien zeeën van licht is, juist omdat het er zo veel zijn.

Georg Horwath denkt erover na dat de ochtend gerijpt is. Hij denkt na over sandalen en wanneer dan wel Bürgersteig [stoep, k.w.] als begrip de Duitse taal is binnengekomen. Hij denkt na over het woord honkbalpetje, hij denkt na over verbitterd, waar dat dan wel vandaan komt, waarschijnlijk komt het van het Engelse embittered, en hij denkt na over uitgemergeld en hoe goed de ‘r’ zich voor de ‘g’ in de mond verhoudt tot wat hij ziet, tot de afgetobde, uitgemergelde man met het honkbalpetje die op de stoep gehurkt zit en met zijn vingernagel in de grond tussen zijn sandalen krabt, en nu hebben ze het kleine plaatsje achter zich gelaten.

Ze zijn nu drie uur onderweg. Georg Horwath vraagt of Ali ook de rest van het Boekarest-verhaal zou willen horen en Ali knijpt zijn rechteroog dicht.

De tweede spreker werd geïntroduceerd, een man in een pullover met een grote sneeuwvlok erop. Hij had een Engelse naam, maar de hoop dat hij in het Engels zou spreken vervloog in de eerste zinnen, waarin weer de boezemvrienden ‘kafkaeskul’ en ‘groteskul’ dreven.

Georg Horvath moest weg. Hij was nog steeds wel bang dat de dwerg met de reusachtige sleutelsleutel hem de weg zou kunnen versperren en het tot een schandaal kon komen waarbij hij als indringer zou worden ontmaskerd, maar zelfs dat leek hem te prefereren boven de verspilling van nog meer tijd aan het niet-verstaan van academici.

De sneeuwvlok beëindigde zijn lezing, iedereen klapte, ook Georg Horvath die opstond om de zaal te verlaten; dat interpreteerden de pullovers en slip-overs als enthousiasme en ook zij stonden op. Plotseling barstte gejuich los, dus moest hij nog maar even blijven, het ging niet aan als initiator van het applaus de plaats van het applaus te verlaten, hij droeg nu verantwoordelijkheid voor de intensiteit van de waardering, en zo vaak kwam het waarschijnlijk niet voor dat er standing ovations te beluisteren waren op een conferentie van – vermoedelijk – literatuurwetenschappers. Ook de sneeuwvlok leek te twijfelen: buigen of plaats maken? Maar daar ebde het applaus dan toch weer weg, gedecideerd probeerde Georg Horvath de uitgang te bereiken, en de deur was helemaal niet dicht geweest, de dwerg nergens te zien.

In plaats van in de foyer kwam Georg Horvath in de onderhandelingsruimte uit. ‘Daar bent u dan eindelijk,’ zei Walter. Het contract had zijn beslag gekregen. De collega’s lachten hun bierglazen toe. Van het buffet at Georg Horvath twee halve druiven op kaas op brood.

De volgende dag dan de reis met de kerstverlichtingstaxi naar het vliegveld. ‘Daar wilde ik eigenlijk over vertellen,’ zegt Georg Horwath. Blauw, geel en rood knipperden de peertjes, er waren er ook een paar rond de hoofdsteunen gevlochten. De chauffeur zong zacht het refrein van I will always love you, steeds weer opnieuw.

Ali fluit de melodie en Georg Horwath lacht en schudt zijn hoofd en zegt: ‘Te gek.’

De taxichauffeur was niet geïnteresseerd in de snelste route, hij was al twee keer een afslag voorbijgereden. De blauw-geel-rode lucht stonk naar gesmoord plastic en ook naar iets mufs dat, zoals Georg Horvath vreesde, vrijkwam uit de oude schapenvacht waar de chauffeur op zat.

Dat zou helemaal niet zo erg geweest zijn – haast om naar Bremen te gaan had hij niet – als Von Sannen en Walter het niet al vanaf het ontbijt over de wedstrijd van de vorige avond hadden gehad. Dat gesprek was het waardoor er aan de reis maar geen einde kwam. Waarom Whitney Houston, waarom de lichtjes, waarom niet een keer de schapenvacht wassen, Georg Horvath begreep het allemaal niet. Maar dan wel de uitwisseling van sportgerelateerde opinies en die vond hij zo afschuwelijk saai, weerzinwekkender nog dan alle andere kanten van hun doolhoverij door de voorsteden van Boekarest.

Uiteindelijk bracht zijn smartphone aan het licht dat ze sinds een paar minuten zelfs van de luchthaven weg reden en dat ging dan toch te ver. Georg Horvath klopte de chauffeur op zijn rug als op een deur en voelde zich meteen onbeleefd en slecht. Hij was niet iemand die anderen beklopte, omdat hij niet iemand was die met wie dan ook, behalve met zichzelf, zijn geduld verloor.

De chauffeur keek in de achteruitkijkspiegel. Georg Horvath wees op zijn smartphone en riep harder dan zijn bedoeling was: ‘Airport! Airport! This is wrong, we are wrong!’ Zijn opwinding bracht de collega’s tot een gegeneerd zwijgen, en van de weeromstuit viel dat bij Georg Horvath in goede aarde: het overwicht dat erin bestaat schaamte teweeg te brengen.

De chauffeur knikte en sloeg bij de volgende kruising linksaf, en Georg Horvath dacht op de kaart te zien dat rechts de juiste richting was geweest, dus boog hij zich dit keer met een ruk tussen de stoelen naar voren en slingerde de enige Roemeense woorden waarover hij de beschikking had naar de goed geschoren wang: ‘Groteskul!’, riep hij en het volgende ogenblik, al zeker van zijn succes: ‘Kafkaeskul!’

De ogen van de bestuurder kregen onder het nu doorgroefde voorhoofd een duistere uitdrukking. Hij gaf gas zodat Georg Horvath op zijn zitplaats werd gedrukt, bij een u-bocht piepten de banden. Een paar roekeloze inhaalmanoeuvres en rode stoplichten later waren ze op de luchthaven.

Georg Horvath gaf te veel fooi, net zoals hij ook in restaurants deed als hij niet tevreden was over de service, maar hij het gevoel had dat hij de bediening zijn ongenoegen liet blijken.

Georg Horwaths telefoon trilt. Een Braziliaans nummer. Op een gegeven moment houdt het vibreren op. Hij veegt een paar keer over het scherm, schrapt zijn keel en leest:

Ik gaf opdracht mijn paard uit de stal te halen. De knecht begreep me niet. Ik ging zelf naar de stal, zadelde mijn paard en besteeg het. Georg Horwath glimlacht. In de verte hoorde ik op een trompet blazen. Ik vroeg hem wat dat te betekenen had. Hij wist van niets en had niets gehoord. Bij de poort liet hij me stilhouden en vroeg: ‘Waar gaat u naar toe, heer?’ ‘Ik weet het niet,’ zei ik, ‘alleen weg van hier. Aldoor weg van hier, alleen zo kan ik mijn doel bereiken.’ ‘U kent dus uw doel?’ vroeg hij. ‘Ja,’ antwoordde ik, ‘ik zei het toch: “Weg-van-hier – dat is mijn doel.”’ ‘U hebt geen proviand bij u,’ zei hij. ‘Dat heb ik niet nodig,’ zei ik, ‘de reis is zo lang dat ik wel moet verhongeren als ik onderweg niets krijg. Geen proviand kan me redden. Gelukkig is het wel echt een enorme reis.’

Georg Horwath kijkt naar zijn chauffeur. Ali fluit bijna toonloos voor zich uit. Dat bevalt Georg Horwath wel – dat er op dit moment een melodie is alleen voor Ali en alleen voor hem.

‘De grap,’ zegt Georg Horwath, ‘de grap is dat “kafkaeskul” en “groteskul” substantiveringen zijn. Toen wist ik dat niet. In een moment van opperste boosheid heb ik in een Roemeense taxi gebruld: “Het groteske!” En: “Het kafkaeske!” ’

Ali zegt: ‘Tatkroeteske.’ Ali grijnst.

Ze rijden achter een vuilniswagen. Twee mannen in fluorescerende hesjes houden zich aan de achterkant vast. De vuilniswagen rijdt plankgas door de haarspeldbochten naar beneden.

‘This is crazy,’ zegt Georg Horwath. ‘They will fall and they will die.’

‘No,’ zegt Ali. ‘Si’

Ali fluit zijn liedje. Georg Horwath monstert hem van opzij. Georg Horwath is de verkeerde man in de juiste auto.

Ali zegt: ‘One day. All die.’ En drukt op het gaspedaal.

 

PICA-PAU-DE-CABEÇA-AMARELA

Uit de daken verrijzen rode bloemen. Op de laadbakken van versleten pick-uptrucks staren versleten uitzendkrachten in een telkens exclusief eigen richting. Langs de weg liggen honden te doezelen in de ochtendzon waarin honden langs de weg liggen te doezelen.

Ze worden ingehaald door een vrolijk toeterende bulli van hetzelfde type. De bulli schiet hen voorbij. Ali lacht, geeft gas, begint zelf in te halen, de andere bus meerdert vaart. Een tijdje gaat dat zo door, een roekeloze race, tenminste een keer ontsnappen ze allemaal op het laatste moment aan de dood.

Op een wat langer recht stuk speelt Ali het klaar zijn bus op het weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer naast de andere te krijgen en beduidt hij Georg Horwath het raampje omlaag te draaien. Door het raampje en onder het gieren van de motoren begint hij een schreeuwgesprek met de jonge bestuurster, de mooiste vrouw die Georg Horwath ooit gezien heeft, zoals hij verbluft, meer nog geschrokken constateert.

Ali en zij kennen elkaar of ze kennen elkaar niet en vinden elkaar op slag aardig. Ze laten hun tandvlees en handpalmen zien en lachen hard om boven het lawaai van de motoren uit door de ander gehoord te worden.

De vrouw is hooguit twintig. Haar gebaren nu eens die van een meisje, weidser dan nodig, dan weer met de gratie van een dame. Ze spert haar ogen open, ze zijn groot en donkerblauw. Zoals die van haar vader, denkt Georg Horwath, zoals Ali’s ogen. Haar haar bungelt in dikke dreadlocks over haar witte shirt; met dreadlocks associeert hij anders altijd Predator, het alien-monster, maar daarvoor is de draagster te aantrekkelijk, haar door de zon gekuste bovenarmen inbegrepen – ja, door de zon gekust – als ze in haar bus op de maat van de muziek op het stuur trommelt, wat ze steeds opnieuw doet.

In een bocht komen de wagens zo dicht bij elkaar dat hij denkt haar zweet heel licht te kunnen ruiken, maar waarschijnlijk is het zijn eigen zweet, dan hoort hij zijn naam uit haar mond en voelt hij zich door haar blik gezien of wil hij dat graag.

Uit haar schaduw maakt zich iemand los, een man, en hij wuift wat schutterig naar Georg Horwath. Zijn blik door de randloze bril, ja, wie is dat? Op de een of andere manier – op de een of andere manier, denkt Georg Horwath, op de een of andere manier is de man onaangenaam vriendelijk. Hoe de bontgekleurde papegaaien op zijn overhemd vriendelijk hun snavel wijd opentrekken. Hoe zijn stroachtige blonde haar vriendelijk op en neer wipt.

‘Horwath!’ Met haar duim wijst de jonge vrouw over haar schouder naar haar passagier.

Georg Horvath steekt zijn handen op en Ali moet nu echt van het inhaalspoor af, want anders zijn daar pal voor hem vrachtwagens.

En dat was het dan.

De jonge vrouw toetert en haakt af, even later is haar bus uit het zicht verdwenen. Een verschijning, denkt Georg Horvath te weten, en hij zet zijn randloze bril af en poetst de glazen en nu brandt Ali los, praat op hem in, gebaart heftig. Georg Horvath verstaat geen en toch elk woord.

De verwisseling is niet meer alleen zijn geheim en het verloren gaan van het geheim laat ook Georg Horvaths plezier in de verwisseling verdwijnen. Ze hebben me ontmaskerd, denkt Georg Horvath, zee van lichtjes denkt hij, kafkaeskul denkt hij, en hij heeft dorst en wil nu dat ze er eindelijk zijn, op welke bestemming dan ook.

Opeens begint Ali te lachen, schudt zijn hoofd, kijkt vanuit zijn ooghoek naar zijn passagier.

‘Paraty?’ vraagt hij.

‘Paraty,’ zegt Georg Horvath.

Ali tikt op de vogelbrochure. ‘Aves?’

‘No,’ zegt Georg Horvath, en nu schiet het Portugese woord voor bier hem te binnen, hij zou Ali het adres van de Cervejaria Vogelbräu kunnen laten zien, maar Georg Horvath zegt: ‘Si. Si. Aves.’

Ali kijkt hem verbaasd aan. ‘Tudo bem.’

‘Tudo bem,’ herhaalt Georg Horvath.

Ze rijden door een wat grotere plaats. Garagebedrijf, kiosk, groentekraampje, rotonde, kerk, kiosk, met planken dichtgespijkerde ramen. Donker, denkt Georg Horvath, daar houden de spoken wel van.

Hij moet een naam hebben voor de vrouw-met-de–dreadlocks om niet aan haar te hoeven denken als ‘vrouw-met-de–dreadlocks’.

‘Dreadlock-girl?’ zegt hij tegen Ali. ‘You know her name? Nom?’

Ali reageert niet, en omdat Georg Horvath dat niet op zich wil laten zitten, tekent hij op de vogelbrochure de vrouw-met-de-dreadlocks en laat hem die zien.

‘Predator!’ zegt Ali en steekt zijn duim op.

Een tijdje later, als Georg Horvath al vergeten is dat hij ooit haar naam had willen weten, zegt Ali: ‘Juliana.’ Met opgestoken wijsvinger, maar lachend voegt hij er iets aan toe, net zoals een vader dat doet als hij iemand voor een derde uit gekheid, voor twee derde met dodelijke ernst zou willen aanraden met zijn vingers van zijn dochter af te blijven.

En meteen maakt Georg Horvath zich juist daar een voorstelling van, zijn vingers, hoe die het onwaarschijnlijke doen, hij stelt zich de warmte onder de dreads voor, met meteen als in een reflex de volgende gedachte: Regina, en dat hij haar van zich moest laten horen, haar laten weten, waar en wie hij is, maar noch van het een noch van het ander is hij zeker, en voor onzekerheden heeft Regina nooit belangstelling gehad.

‘Juliana,’ herhaalt Georg Horvath, en hij hoopt dat ze op de plek zal zijn waar Ali hem naar toe brengt en tegelijk denkt hij: ‘Ik zou graag met een vrouw zijn die punten spaart op haar klantenkaart.’ Hij heeft geen idee waar dat nu ineens vandaan komt. Maar de gedachte iemand aan zijn zijde te hebben die het niet kan schelen dat ze zijn aankoopgedrag registeren, en zich er ook niet voor geneert ja te antwoorden op de klantenkaart-vraag aan de kassa, bevalt hem juist zeer. Misschien omdat te verwachten valt dat zo iemand ook in andere kwesties coulanter zou zijn dan Regina.

Regina heeft een principiële hekel aan sparen. Ze haat alles wat meer is dan het broodnodige. Dus ook opslag van data, daarom is voor haar een klantenkaart onbespreekbaar. Voor onlineshopping koestert ze een regelrechte minachting. De dag waarop de kosteloze retourzending werd ingevoerd, is voor haar de dag waarop de ondergang van alle cultuur behalve opera inzette.

Denkt Georg Horvath. Zelf heeft ze zich nooit zo drastisch uitgelaten. Eigenlijk heeft ze enkel maar gezegd dat ze het liefste inkopen doet ‘in een winkel, dinsdagochtend, als er weinig te doen is’. En dat het onlinegebruik van creditkaarten haar ‘een onbehaaglijk gevoel’ geeft.

Ali wijst naar een plaatsnaambord. Ze zijn in Paraty aangekomen. En ook weer niet. Voor het bord slaat hij rechtsaf en rijdt hij door een dorp dat veeleer het beeld oproept dat hier ooit mensen hebben gewoond. Ingeslagen ramen, gaten in daken en niet eens rondscharrelende dieren.

De asfaltweg houdt op. Een hobbelige weg slingert zich steil omhoog tussen bomen die steeds hoger en steeds donkerder worden. Georg Horvath kan geen van de boomsoorten thuisbrengen, maar dat heeft niets te betekenen; met uitzondering van eik, berk en den zijn bomen voor hem woorden uit een vreemde taal. Els, taxus, es en iep, hoe eigenaardig dat alleen al klinkt.  

Het rijden is meer herrie gaan maken. In de bus knerst en knettert het, de motor giert, steentjes knerpen onder de banden. Georg Horvath verbeeldt zich de schelle kreten van apen te horen in de boomkruinen en hoe de fabelachtige specht, hoe Pica-pau-de-cabeça-amarela een stam aan het bewerken is.

Dat bevalt hem niet. Een stam aan het bewerken is. Daar is zijn verlangen naar het juiste woord weer. Hoe klinkt het werk van de specht precies? Hoe klinkt Pica-pau-de-cabeça-amarela? Hij heeft verwoording nodig.

Georg Horvath dwingt zichzelf recht voor zich uit te kijken.

Langvingerige struiken krauwen de carrosserie.

Het beest taal heeft me in zijn klauwen, denkt hij en hij rilt, hij wordt een beetje misselijk, misschien van het spinaziepasteitje, misschien van gebrek aan tact van de ondergrond, misschien van de hitte. Moest de rimboe niet koel zijn? Hij stroopt zijn hemd op.

Gebrek aan tact van de ondergrond?

Ali heeft zijn ogen dichtgeknepen. De weg is zo smal dat hij niet alle kuilen kan ontwijken. Vooral nu hij, zo lijkt het Georg Horvath, harder rijdt dan op het van stenen en gaten vergeven parcours goed is voor de bus en voor Georg Horvaths maag.

‘Stop, please, Ali, can we stop?’

Ali stopt. Meteen is de hitte een geur met gewicht en geluid. Vochtige aarde en apocalyptisch gezoem van insecten. En inderdaad – geen inbeelding – toktokt ergens een specht.

‘Mijn hemel,’ fluistert Georg Horvath, en hij draait zich om zijn eigen as. Hij kan er niet aan ontsnappen.

‘Okay?’ vraagt Ali.

‘Si. No.’ Georg Horvath is ontroostbaar.

Hij stapt weer in.

Na een half uur kraken en schudden is hij er nauwelijks beter aan toe, de weg daarentegen wordt breder, het bos minder dicht. Ali stuurt de bus tussen twee reusachtige palmen die waarschijnlijk geen reusachtige palmen zijn naar een open plek. Rondom een toren zijn vier hutten van hout met tot de grond aflopende daken neergezet. Aan waslijnen hangen camouflagebroeken en camouflagehemden te drogen, een herdershond steekt langzaam zijn kop omhoog. In de hangmat slaapt een man, zijn arm hangt naar beneden, een zakmes en een kleine houten vogel, die voor de helft af is, liggen in het gras. Ali parkeert naast twee andere VW-busjes. Ze stappen uit.

De toren is zeker wel een meter of twintig hoog en van een donker materiaal, hout of leem, moeilijk vast te stellen omdat hij van boven tot onder is gewit met vogelpoep, dat afschuwelijke wit op de stalen draagbalken van Europese stations, toen de jacht op duiven nog niet was geopend.

Het ruikt er naar rook en gebakken bananen en een scheerbeurt voor de handspiegel. In een halve cirkel zitten wat mensen op hun hurken te luisteren naar een jongen en een heel kleine man. Anderen zitten aan een langwerpige tafel te loeren naar de nieuwkomer. Juliana is niet te zien.

Wanneer Georg Horvath de autodeur dichtslaat, schieten honderden vogels uit onzichtbare holtes in de toren over zijn hoofd weg. Geel en rood en krijsend en klagend. Hoewel ze tot verschillende soorten behoren, vormen de vogels een zwerm boven de toren en vliegen ze gezamenlijk richting bos. Enkele ogenblikken later zijn ze er met hun kleuren en hun vloeken in verdwenen.

De vogels zullen wel terugkomen, denkt Georg Horvath, ik zal wegtrekken. Zijn opdracht, de komende onderhandelingen, zelfs Hartmut schiet hem te binnen. Regina. Uit zijn colbertjasje haalt hij zijn smartphone en nu staat de oude vrouw voor zijn neus. In spijkerbroek en spijkerhemd en hoed met kinband is ze voor de toren gaan staan, een emmertje bij wijze van sieraad aan haar pols. Staart hem aan, zegt een paar woorden. Zonder te begrijpen wat ze zegt, voelt Georg Horvath zich aangesproken.

Ali antwoordt: ‘Si.’

Geeft waarschijnlijk antwoord op de vraag: ‘Is dat’m?’

De oude vrouw heeft het hier voor het zeggen. Georg Horvath heeft zich lang genoeg naar hiërarchie gericht. De onverbiddelijkheid van haar stappen, de spanning bij Ali, zelfs het emmertje rammelt angstig tegen haar matzilveren armbanden.

Georg Horvath zou graag een geïnteresseerde indruk maken, zelfverzekerd glimlachen. Een misverstand. Helemaal niet zo erg. De naam al honderd keer verkeerd… Het glimlachen leidt er alleen maar toe dat zijn knieën knikken. Het lijkt wel of het vertrekken van zijn mondhoeken na de lange reis zijn laatste krachten heeft opgebruikt.

Georg Horvath gaat op het gras zitten. Zijn telefoon valt uit zijn hand.

Ali praat verder, geeft zijn mening, praat vermoedelijk goed dat hij de verkeerde heeft afgehaald, zo’n zwakkeling ook nog. Terwijl ze luistert houdt het oudje haar kin omhoog, dat maakt haar tien jaar trotser, ze is zestig, misschien tachtig, jaagt Ali weg, gedecideerd wuivend met haar hand voor het gezicht. Nu slaat ze haar ogen neer, zijn ze geel?, spreidt haar armen zijwaarts van haar lichaam, een roofvogel die zijn buit in de peiling heeft, het knaagdier in het gras.

Op en neer bewegen, denkt Georg Horvath: duikvlucht.

Witte plukken onder haar hoed houden zich niet koest, willen vooruit, willen doen. Getatoeëerd op haar onderarmen: links iets groots, een valk, rechts iets zwarts.

Zijn raven roofvogels? Raafachtigen.               

De zwarte vogel zeilt haar arm af wanneer ze Georg Horvath een hand geeft, nagels boren zich in de bal van zijn hand, zonder moeite trekt ze hem overeind. Het zijn lange nagels, daaronder drek of bloed, het emmertje bevat een stank die krioelt.

‘Welkom, meneer. Hoe lang denk je bij ons te blijven?’ Ze laat zijn hand niet los.

‘Een… een paar dagen? Niet lang. Hoe lang zou te lang zijn?’ Zon, dorst, vermoeidheid, haar Duits, de stank maken dat hij hakkelt, zijn glimlach schrijnt. Wormen. Het zijn maar wormen.

De insecten ssisszzen als Georg Horvath aan insecten denkt. De oude vrouw spreekt als Georg Horvath aan haar stem denkt, licht ruisend. Ze brengt haar armen langs haar lichaam, vouwt haar vleugels, het emmertje en de armbanden klikklakken.

‘Waarom ben je hier?’

‘Ik –’

Omdat hij ontvoerd werd. Verwisseld. Omdat hij zich graag liet verwisselen en ontvoeren. Omdat hij als degene die hij op dat moment was niet meer daarheen hoefde waarheen hij gemoeten had als degene die hij geweest was.

Omdat hij verzonnen werd.

Enkel weg, enkel maar weg, denkt Georg Horvath, aldoor weg wilde hij. En alleen…alleen als een ander kon ik…kon ik… Van-mezelf-weg – dat was mijn doel.

In de verte, uit de rimboe, het toktok van de specht.

‘Wat – wat heeft dat te betekenen?’ vraagt Georg Horvath.

De oude vrouw graait in haar emmertje.

‘Jij bent toch de deskundige.’

De oude legt het gekronkel op Georg Horvaths hand. Het kriebelt. Opnieuw klinkt het toktok.

‘Daar. Hoor je het?’ Specht. Stilte. Specht.

Georg Horvath moet het toktok vervangen, toktok is stuntelig en onnozel.

Alsof er in de hemel iemand met zijn nagels op het toetsenbord van de hitte tikte. Nee! Als het snelle klikken op het touchpad.

Bij de deur van de toren fluistert de oude vrouw in zijn nek: ‘Iedereen die naar me toe komt kent zijn doel. De meesten willen de vogels zien, bontgekleurde, oogverblindende, grappige vogels. Voor sommigen doen de vogels er niet toe, ze komen voor de afzondering, midden in de rimboe en op maar een uur rijden van de stranden. Per abuis kwam tot nu toe nog niemand hier.’

Met zware benen beklimt Georg Horvath de trappen. Binnen in de toren glanzen fluorescerende schimmels op de muren. Een gekoer als van duiven. Het puffen van de oude vrouw begeleidt hem naar boven. De trappen hebben haar ouder gemaakt.

‘Ik heb geen proviand bij me,’ zegt hij, en halverwege kijkt hij door een opening over de open plek. De zwerm cirkelt boven de boomkruinen, een vogel stort zich in het groen, er klinkt gekrijs.

‘Dat heb je niet nodig,’ zegt de oude vrouw. ‘Wij voorzien in onze eigen behoeften. Leren je wel jagen.’

Hoe hoger ze komen, des te harder en harder roepen de vogels in de toren. Een mus of iets dergelijks landt op Georg Horvaths pols, pikt wormen uit zijn hand. Een ander vogeltje landt op zijn wijsvinger, een derde verjaagt de twee. Georg Horvath gooit de wormen de lucht in en hoopt op chaos en de chaos blijft uit.

Door een luik klimt hij op de torenspits, in de zon. ‘Waarom kijken mensen in de zon zo?’ Hij heeft zijn ogen met zijn hand afgeschermd en wacht even, laat de hand dan over zijn ogen zakken en zegt: ‘Als we zo zouden kijken, zouden we niets zien.’

De oude vrouw lacht of lacht niet. Met nog steeds bedekt gezichtsveld hoort Georg Horvath opnieuw het toktok. Hij haalt zijn hand van zijn ogen en wijst naar het bos, naar het ongewisse. ‘Daar,’ zegt hij, en weer wil hij erover beginnen, wil vragen hoe iemand zoals de oude vrouw, iemand die hier bekend is, het geluid zou noemen, daar vormt zich opnieuw de zwerm, uit de cirkel ontstaat een pijl, een orde waar kracht vanuit gaat, de vogels vliegen terug naar de toren.

De oude vrouw legt haar arm om zijn middel, de roofvogel op haar onderarm boort zijn snavel door zijn bezwete hemd. ‘Ik weet,’ zegt ze, ‘waar je naar op zoek bent.’ Ze reikt hem een verrekijker aan.

De zwerm komt snel dichterbij, de vogels zijn al boven de open plek, dragen de woede over de vergeefse jacht met zich mee, zetten koers naar Georg Horvaths ogen. De oude vrouw zet haar hoed af en maakt haar haar los. Het is fijn, lang en kakelbont van kleur.

En Georg Horvath heeft hem te pakken. Heeft de specht, bekijkt de specht van zo dichtbij door de kijker, verticaal tegen een stam, het felle kopje, toktok tegen het hout, toktok en wat een snelheid!

‘De blondkuifspecht,’ kraait de oude vrouw.

En de zwerm zwermt over de uitsnede van de wereld in Georg Horwaths gezichtsveld, de vogels komen over hem heen, hun kleuren slaan te pletter in zijn ogen, zijn mond, de warmte van honderden gevederde lichamen kruipt onder zijn kleren en zijn huid, het doet geen pijn, het doet geen pijn, en de dieren verdwijnen in de toren, op één na, zo’n spierwitte met groene kop installeert zich in het haar van het oudje, ze legt hem in een dot haar te slapen.

‘Pica-pau-de-cabeça-amarela,’ zingt de oude vrouw. ‘De soort roffelt zachtjes.’

________________________

‘Georg Horvath is uit zijn humeur’ is afkomstig uit Saša Stanišićs verhalenbundel Fallensteller (2016). Copyright © Luchterhand Literaturverlag, München. Publicatie van deze vertaling met in de tijd beperkte toestemming van de uitgever.

________________________

De in 1978 in Višegrad (Bosnië-Herzegowina) geboren Saša Stanišić woont sinds 1992 in Duitsland. De Duitstalige romans Wie der Soldat das Grammofon repariert (2006) en Vor dem Fest (2014) vestigden zijn naam als eigenzinnig en fantasievol schrijver. Zijn romans kregen verscheidene literaire prijzen en werden in tientallen talen vertaald. Annemarie Vlaming verzorgde de Nederlandse vertaling van beide boeken, die onder de titel Hoe de soldaat de grammofoon repareert (2007) en Nacht voor het feest (2014) bij Ambo/Anthos verschenen. Waar in de eerste roman het Bosnië van zijn jeugd centraal staat – de geboortestad van Stanišić is trouwens het Višegrad van Ivo Andrić’ De brug over de Drina –, speelt Vor dem Fest in de Noordduitse Uckermark. Vor dem Fest is een soort heimatroman van een ‘externe’.

11_bij Sasa Stanisic_Foto Katja Samann
Saša Stanišić Foto: Katja Samann

In 2016 publiceerde Stanišić bij Luchterhand de verhalenbundel Fallensteller. Het titelverhaal is als het ware een hoe-ging-het-verder in het Fürstenfelde van Vor dem Fest. Een Fallensteller is iemand die een val plaatst, een ander erin wil laten lopen, ook wel een rattenvanger. De titel van de verhalenbundel is veel meer dan enkel de titel van het langste verhaal in de bundel.

Hoewel in de recensies niet alle verhalen in de bundel even sterk worden gevonden, is het oordeel van de meeste critici uitgesproken lovend. De drie met elkaar samenhangende verhalen over de bedrijfsjurist Georg Horvath geven een mooi beeld van de bijzondere schrijfkwaliteiten van Saša Stanišić. Een radiorecensent noemde hem een literair etnoloog, geen ‘profi’ in zelfbespiegeling. Die Zeit kopte ‘Ein heiterer Melancholiker’ en typeerde zijn verhalen als ‘kleine Illusionsmaschinen’. In de Süddeutsche Zeitung werden het avontuurlijke, het fantastische en het groteske, kafkaëske van zijn verhalen benadrukt.

Taal, moed en magie, dat zijn de dragende elementen van zijn verhaalkunst. Een uitdaging en een feest voor de vertaler tegelijk.

________________________

Kees Wallis (1949) is jurist; hij was werkzaam in de advocatuur en vanaf 1987 in de rechterlijke macht. De manifestatie ‘Nederland vertaalt’ (zie http://verstegenstigter.nl/nv/grote-vertaaldag)

riep het oude vertaalplezier van de middelbare school weer wakker. Tegen het einde van zijn beroepsleven meldde hij zich als student bij de Vertalersvakschool en sloot de opleiding Literair Vertalen Duits-Nederlands af in 2016. Zijn eerste publicatie als vertaler, een verhaal van Guntram Vester, verscheen bij Armada, zie https://armadawereldliteratuur.nl/2017/05/10/guntram-vesper-op-gang-met-arnold-z-een-autobiografische-miniatuur-vertaald-door-kees-wallis

________________________

Nacht voor het feest

 

Saša Stanišić, Nacht voor het feest
Vertaling: Annemarie Vlaming
Ambo |Anthos, Amsterdam, 2016
ISBN: 9789026334719
312 pagina’s

 

 

 

Fallensteller von Saa Stanii

 

Saša Stanišić, Fallensteller
Nog niet in vertaling verschen
Luchterhand Literaturvlg., Munchen, 2016
ISBN 9783630874715
288 pagina’s

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s