Lodewijk van Deyssel naar Rusland

Simon Mulder

‘Wilt u de volgende doos?’ Het archief van Lodewijk van Deyssel, pseudoniem van Karel Alberdingk Thijm (1864-1952), berustend bij het Literatuurmuseum in Den Haag, is groot. Ontzagwekkend groot. In de studiezaal van het Literatuurmuseum heb ik slechts de dagboeken opgevraagd, in de hoop daarin meer te vinden over Van Deyssels reis naar Rusland in 1905, daar zowel de twee bakstenen van delen van Harry G.M. Pricks biografie van Van Deyssel als zijn uitgegeven autobiografische geschriften ons weinig vertellen over zijn omstandigheden voor, tijdens en na deze onderneming. De dagboeken alleen al beslaan reeds zes dozen, grofweg maar niet geheel, chronologisch gesorteerd; en dat zijn slechts zes van de in totaal achtennegentig dozen vol manuscripten. Ik begin aan een middag grasduinen in de psyche van deze veelschrijver, twijfelaar en opmerkelijk grondige verslaggever van zijn eigen leven, doos na volgepakte doos, behulpzaam aangereikt door de medewerker van dienst achter het bureau in de kleine zaal, verstopt achter twee deuren in een zijgang van de eregalerij.
Zou er meer over Sint-Petersburg te vinden zijn in deze pakketten losse papieren, notitieboekjes, en zelfs een volledig gedateerd kaartensysteem en persoonlijke encyclopedie, alles in zijn kenmerkende handschrift met kroontjespen en Oost-Indische inkt geschreven? Tijdens mijn bezoek aan deze stad en aan Moskou in 2013, het Nederland-Ruslandjaar, heb ik namens Stichting Feest der Poëzie1 samen met een sopraan-pianoduo enkele malen een inleidende voorstelling over de Tachtigers gegeven, waarbij Van Deyssel ook uitgebreid voorbijkwam. Ik ben benieuwd in hoeverre onze ervaringen overeenkomen.

deyssel
Lodewijk van Deyssel in 1906

In 1905 is Van Deyssel een gezeten burger geworden; van de grote vernieuwer van de jaren 1880, de schrijver van sensitivistische romans als Een liefde, prozagedichten en invloedrijke scheldkritieken op de oude generatie is weinig meer over. Net als zijn Tachtigers-bentgenoten Gorter, Kloos, Verwey en Van Eeden is hij nu een erkend literator geworden, en neemt hij in de decennia tot zijn dood in 1952 regelmatig plaats in feest- en huldigingscommissies. Het driehonderdste geboortejaar van Rembrandt in 1906 is aanleiding tot een groot feest, en ook in deze feestcommissie met zwaargewichten als de componist Diepenbrock en de schilder Breitner ontbreekt Van Deyssel niet.
Van Deyssel leeft van de pen, hetgeen niet veel oplevert, aangezien veel van zijn tijd opgaat aan uitgebreid beschreven voorbereidingen óp het schrijven; hij onderhoudt zijn gezin dan ook deels van giften van gefortuneerdere vrienden en bewonderaars. In het Rembrandt-feest van 1906 ziet hij een kans om ‘cassa te maken’, zoals de destijds met hoge schulden belaste Van Deyssel dat in zijn wildere periode noemde. Hij stelt zich de taak om een aantal artikelen te schrijven over de Rembrandts die in het buitenland verblijven, door middel van een reis naar Berlijn, Sint-Petersburg, München en Wenen.
Harry G.M. Prick, die als student Nederlands door de oude Van Deyssel werd benoemd tot diens literaire erfgenaam en deze titanenarbeid aan het einde van zijn leven heeft voltooid met de publicatie van de grote biografie, beschrijft in het tweede deel daarvan hoe Van Deyssel, zoals altijd minutieus en goed gedocumenteerd, de financiële kant van de reis voorbereidt2; hij verzoekt het Algemeen Handelsblad om enige artikelen over de werken van Rembrandt in de Hermitage op te nemen, en na flinke onderhandelingen krijgt hij een honorarium voor de artikelen én een reiskostenvergoeding vooruitbetaald.3
Aan de Petersburgse etappe van de reis, die plaatsvond van 9 augustus tot 11 september 1905, besteedt Prick welgeteld één zin: ‘Het verblijf te Sint-Petersburg, waar Karel zijn intrek nam in Hôtel de France, Canal de la Moika 51, werd voorafgegaan door het verblijf in Berlijn […].’ Er moet, naast Van Deyssels reisverslag in zijn Negende Bundel Verzamelde Opstellen, toch meer over te vinden zijn?

Halverwege de vierde doos heb ik eindelijk beet. Een los ingevoegd blaadje in een notitieboekje vermeldt: ‘Zondag 6 aug. – 11 u. ocht.’; er volgt een aantekening over zijn financiën, die hij enkele dagen voor de reis blijkbaar op orde trachtte te krijgen. Zou dat een aanwijzing zijn? Het boekje wordt apart gelegd voor later; door naar de vijfde doos. Daarin stiet ik op goud: de Handpapieren, chronologisch gesorteerd – Van Deyssel hield een nauwkeurig ingedeeld bureaublad, waarop rechthoekige, gedateerde kaarten werden gebruikt om korte aantekeningen op te maken. Rap optellend naar 1905 vond ik een Handpapier van 1 juli: ‘Aan de Consul te P. schrijven om te vragen of de meeste Nederlanders nu daar ook uit de stad zijn, en wanneer zij terug zijn.’ Daar alle steden ’s zomers stinken, zeker Amsterdam en Petersburg met hun grachten, ontvluchtten de gegoede burgers vanouds de stank en woonden in de zomermaanden op hun buitens. Van Deyssel maakte zich ongetwijfeld zorgen of hij wel genoeg aanspraak zou hebben in Petersburg – of wellicht zocht hij nog mecenaten.
In ieder geval was hij vastberaden goede contacten te leggen in het buitenland, getuige het Handpapier van 5 juli, waarin zijn Franse grammatica hem ook enigszins in de steek lijkt te laten, en dat een herinnering aan te bestellen drukwerk bevat: ‘Visitekaartjes met “Président de la Commission pour(?) la Fête” etc. voor buitenl. museumdirecteuren’, met direct daaronder enkele pogingen om een mooie titel voor zowel deze positie als die van voorzitter van de Vereeniging van Letterkundigen, die hij ook bekleedde, te verzinnen:

Président de la Société des Gens de Lettres
President van de Commissie
Membre de la du Comité-Rembrandt van Rijn
President du Commission

handpapier
Een stapeltje Handpapieren; onderaan Van Deyssels pogingen tot het verzinnen van een gepaste titel voor zichzelf ter gebruik op zijn visitekaartjes

Op 31 juli volgt nog een aantekening over Petersburg, waarin grootse maar waarschijnlijk nooit uitgevoerde plannen betreffende een lezing uit de brochure bestaande uit overdrukken van eerdere Rembrandt-artikelen met een vooruitblik op het Rembrandt-feest in 1906, afkomstig uit zijn tijdschrift De XXe Eeuw, gecombineerd met de wens om nog wat extra cassa te maken:

Te P. lezen over Rembrandt […]. Voor den lezing geen honorarium vragen maar een bedrag als honorarium later aan de Commissie vragen bij wijze van gemaakte kosten […].

Op 3 augustus vervolgt hij:

Dus: Rondsturen van Rembrandt-brochure naar buitenl. museumdirecteuren, enz.; eenigen meenemen nu op reis, zooals zij zijn; voorlezing van een gedeelte dezer Rembrandt-brochure te P.; voorlezing der nieuwe stukken of, zoo die voor ’t Handelsblad moeten dienen, van een gedeelte der brochure te Amsterdam in Nov. Voorbereiding dezer lezing (door advertenties èn gedrukte circulaires met inteekenbillet) van Sept. af.

Van Deyssel wist echter al via brieven van eind juni en begin juli dat de Rembrandt-brochure niet erg gunstig was beoordeeld door zowel de redactie van het Algemeen Dagblad als door bevriende schilders en literatoren, met name wegens zijn gebrek aan vakkennis van het werk van Rembrandt4. Boissevain van het Algemeen Handelsblad schrijft hem op 28 juni:

Ik bespeurde in wat ge over Rembrandt hebt geschreven onvoldoende kennis van de literatuur over hem ge maakt opmerkingen die groóte kenners van Rembrandt zouden kunnen verbeteren. Waarom leest ge niet een boek of wat—de vier of vijf besten—door Rembrandtkenners geschreven? 5

Waarop Van Deyssel verontwaardigd riposteert:

Zoo als gij zelf meer dan eens omtrent journalisten hebt opgemerkt, is het ook met tijdschrift-letterkundigen: zij schrijven anders over de onderwerpen dan speciale vak-geleerden. Dat er opmerkingen in mijn Rembrandt-opstel voorkomen die Rembrandt-kenners zouden kunnen verbeteren, moet ik echter met nadruk ontkennen. Over allerlei onderdelen en archaeologische bizonderheden van R’s werken bestaan verschillende meeningen, en een voorstander van een dier meeningen zal mij dwalend noemen waar ik ergens het aan het zijne tegenovergesteld gevoelen als vast-staand schijn aan te nemen.
De grief evenwel—en dit is het eenige, waarop het m.i. aankomt—dat een mijner medegedeelde indrukken of aesthetische waardeeringen op een feitelijke en algemeen erkende onjuistheid zoû gegrond zijn,—zoû ik ten stelligste afwijzen.6

Wellicht heeft de kritiek hem ervan overtuigd zijn lezingenserie in Petersburg niet uit te voeren – jammer, want onze Feest der Poëzie-groep heeft het Russische literaire publiek als in grote mate geïnteresseerd en belezen ervaren, en dat zal ruim een eeuw geleden niet minder zo geweest zijn. In ieder geval heeft Van Deyssel wél iets van de kritiek ter harte genomen, want op het Handpapier van 3 juli staat wat extra Rembrandt-materiaal dat hij nog wil doornemen.

Verder op het Handpapier van 3 augustus schrijft hij:

‘Dus nu dadelijk […] overdruk Rembrandt bij bagage’ – de eerder genoemde brochure ging blijkbaar toch mee.

En op 9 augustus, de vertrekdag:

‘Denk om bruine serviette meê te nemen’;

Van Deyssel was denkelijk op het laatste moment dus nog druk met de bagage bezig; onkarakteristiek, want hij bereidde het inpakken ook uitgebreid schriftelijk voor. Zijn systematische encyclopedie vermeldt onder ‘Reizen’ verschillende lijsten van voorwerpen, zoals een ‘tandenschuyer’ en ‘tandpoeder’, die op verschillende soorten reizen meegenomen dienen te worden, zoals tijdens ‘Een plotselinge reis in de winter’ (eerste item: ‘Winter-Jaeger-borstrok, onderbroek en sokken’).

Wirballen
Wirballen, het eerste station aan Russische kant van de Pruisisch-Russische grens

Dan gaat Van Deyssel op weg. In de voornoemde Negende Bundel Verzamelde Opstellen – Rembrandt-Bundel verschijnen uiteindelijk zowel zijn artikelen over Rembrandt en de Rembrandt-feesten als zijn reisindrukken ‘In Rusland’, die een aantal typisch Van Deysseliaanse observaties bevatten: volstrekt gefascineerd door in onze ogen soms bevreemdende details geeft Van Deyssel ons eigenlijk geen enkele indruk van de reis als geheel. Het begint al bij zijn aankomst over de Russische grens in Wirballen (nu Virbalis, Litouwen), waar hij de nog bijzonder aanwezige feodaliteit in de Russische maatschappij puur op esthetische gronden observeert, terloops kennis gevend van zijn ietwat slordige begrip van toentertijd courante rassentheorieën:

Te Wirballen, het eerste station van Rusland aan de Oost-Pruisische grens, ziet degene, die Rusland voor het eerst bezoekt, terstond iets treffends: een nieuw menschen-type, dat een nieuwe schoonheid is, het Slavische ras. […] Te Wirballen zag ik een officier, in de vreemde en mooye koel-witte Russische uniform, met een bijzonder trotsch, heerschen uitdrukkend voorkomen. En dit was s c h o o n. Men moet niet spreken over dingen, die men niet kent. In ’t algemeen te zeggen, dat heerschen iets leelijks is, is ijdel gezwets, zoolang men niet het heerschen, als zoodanig tot iets schoons geworden, in een ras ontwikkeld heeft gezien.
Daarnaast kon men dat andere waarnemen: de schoonheid der dienenden. Ik zag, en dit zal voor mij iets onvergetelijks blijven: de onderworpenheid, die, zich, als zoodanig, tot een schoonheid had gevormd, zoo als die zich voordoet in het Slavische ras. Jongens en jonge-mannen, van de boerenhoeven van het uitgestrekte land afkomstig, wien de onderworpenheid tot voornaamste bestanddeel van den bouw van het hoofd en der gelaats-uitdrukking en van lichaamsbeweging was, zóó dat g e e n z w e e m van iets droevigs, naargeestigs of wederstrevends daarin was te bekennen.
Dus niet: schoone jonge-mannen, die onderworpen waren, maar: onderworpenheid aan een macht, waaruit een afzonderlijke, soortelijke schoonheid is voortgekomen: schoonheid en geluk, g e l u k dóor onderworpenheid.

Bij aankomst in Petersburg beschrijft Van Deyssel enigszins positivistisch (hij blijft ergens toch een 19e-eeuwer en naturalist) het gezicht op de binnenstad; er leek mij in 2013 de afgelopen honderd jaar niet veel veranderd te zijn:

Links en rechts van de Newa met haar zeer lange bruggen, – door de groote afstanden tusschen de verschillende plaatsen ziet men alles in een ver verschiet, en dit is een der elementen die het grootsche voorkomen der stad verklaren – de witte, gele, bruin-gele, hel-roode gebouwen, allen groot en door de verte te gelijk klein schijnend, de witte of bont-gekleurde koepelkerken, velen met gouden koepels, de gedenkteekenen met hun zuilen en lange gouden spitsen.
Ten gevolge der luchtgesteldheid, meer nog misschien dan ten gevolge der gebruikte materialen, zijn deze koepels en naalden van een bizonder helder goud, niet groen geworden zoo als te Londen, niet dof zooals te Parijs, waar zij trouwens veel minder in aantal zijn. Uit deze gouden verhevenheden weêrglanst en weêrschittert de zonneschijn zoo hel alsof hij uit goud-water weêrscheen.

Petersburg2.jpg
Gezicht op Sint-Petersburg rond 1900

Enkele uitgebreide en ‘allerindividueelste’ beschrijvingen van beroepsgroepen komen voorbij; de vergelijkingen schieten soms wel erg uit de bocht:

De jonge Russische priesters zijn bijna allen mager en zien er niet naar uit of zij, door aanhoudende sport en matige maar voortdurende voeding en opwekking met bloedrijke spijzen en alcohol-volle dranken, de levenslustige lichaamssterkte en vaste opgewektheid van de modernen Europeeër in zich kweeken. Zij dragen fijnharige maar onverzorgde bakkebaardjes en lange voorhoofdsharen tot beneden den nek. Een reed er mij voorbij wiens leeuwen-kleurige haren tot op een lengte van een derde meter aan weêrszijden van het hoofd achter hem uit woeien. Zij dragen paarsche of beige mantels, die den grond raken, en lage hoogehoeden, en doen den argeloozen Amsterdammer of Baarenaar, bij het plotselinge eerste zien, aan eenigszins zonderlinge, dichterlijke of geleerde, burgerjuffrouwen denken. […]

koetsier
Russische koetsier rond 1905

De koetsiers in Petersburg doen, meer dan b.v. aan moderne tramconducteurs, aan Gooische boeren of Urker visschers denken. Zij hebben een geweldig dik, naar onderen steeds zich verdikkend, lichaam, waarschijnlijk door den grooten voorraad kleederen, die zij ook in Augustus dragen. Ter hoogte van de heupen zijn zij eens zoo dik als ter hoogte van de borst. Om de (bovenste) dikke donkerblauwe jassen dragen zij een Marker-borstdoekje-kleurige ceintuur, waaraan door dikke metalen knoppen aan weerskanten belet wordt over de dunnere borst en bovenrug opwaarts te glijden. De nek is, dikwijls tot op aanmerkelijke hoogte, geheel kaal geschoren, en daarboven hangt het dikke, lang gehouden en dan gelijk afgesneden, haar, waarop de hoedjes, met zeer kleine bolletjes en zeer smalle randjes, in den vorm van miniatuur-hoge-hoeden staan. De koetsiers zien er, evenals de Londensche politieagenten, door altijd in de open lucht te zijn, gezond uit. Zij hebben echter niet het door en door gebasaneerde dier agenten, maar kenmerken zich door de fraaie hel roode en hel blanke aangezichtskleuren, die men ook bij de meisjes en jonge vrouwen van sommige Nederlandsche zeedorpen vindt.

regereviseerdevandeysselinrusland
Van Deyssel aan de dis, rond 1903; foto Nic. Schuitvlot

Eten was voor Van Deyssel bijzonder belangrijk; het is opvallend dat hij niet langer dan in het volgende stuk bij de Russische keuken heeft stilgestaan. Het aanbod aan restaurants – Petersburg is wat dat betreft veel meer dan Amsterdam een wereldstad – is ook wel veranderd; Georgische wijn is nog steeds alom te verkrijgen en ook bijzonder goed. Van Deyssels conclusies over drank zijn altijd wat ongeloofwaardig, daar hij zijn eigen inname immer onderschat (later in zijn leven somt hij op wat hij tijdens een reisje naar Roermond heeft gedronken en concludeert dat een halve fles wijn en nog 17 glazen samen een halve liter zijn – ‘alle glazen zeer klein’)7, dus deze hoeven we niet voor waar aan te nemen:

Van de Russische keuken heb ik tot nu toe weinig bespeurd, behalve van een enkele zonnebloem, waarvan ik het hart, naar Russische zede, mocht verschalken. De Russische dranken zijn gevaarlijk in het begin. De wodka en de landwijn – wijn uit den Kaukasus, wijn uit de Keizerlijke tuinen – lijken zacht, bijna smakeloos, maar hebben op den ongewende meer uitwerking dan zwaardere Westersche dranken.
Indien men een glaasje wodka of cognac vraagt, wordt daar in de Russische – niet in de Duitsche of Fransche – gelegenheden een schoteltje met pepermunt van allerlei kleur bij aangeboden, zeker om den dorst gaande te houden.

Het leven in Rusland is gelatener dan dat in West-Europa, meent Van Deyssel; religie en monarchie zijn het belangrijkste onderdeel van het Russische bestaan. Beide, de laatste in licht gewijzigde vorm natuurlijk, heb ik er ook ervaren. Wat wél veranderd is, is de snelheid van het openbaar vervoer; met de flitstrein vanuit Moskou ben je in een paar uur in Petersburg, waarbij op het aankomstperron ‘fijne muziek van het leger’ uit de luidsprekers klinkt. Hoe anders was het in Van Deyssels tijd:

De Russische treinen rijden precies even veel langzamer dan de overige Europeesche treinen als de Russische paardentrammen dan de Hollandsche paarden-trammen. De treinen rijden ook zachter dan de Duitsche, op hun wijd van elkaâr liggende rails. Men circuleert er in en maakt praatjes in de zijgangen of in den eetwagen zonder gevaar te loopen plotseling den mede-spreker als een hoûvast te moeten omarmen.

Nevskij Prospekt is een belevenis – de grootte van deze boulevard, nu druk met auto’s en voetgangers, zowel in de breedte als in de lengte, is een sublieme ervaring; ook in de tijd van Van Deyssel was dat al zo:

Gisterenavond wandelde ik naast een paarden-tram op de Newsky-Prospect. Dit is zooveel als de groote boulevard van Petersburg. Hij heeft hetzelfde karakter als de andere stads-deelen, de rivier met haar bruggen, de wijde pleinen, de huizen-groepen, de kerkgebouwen, die in hunne verhouding tot degelijke deelen verschillen van andere groote hoofdsteden. Hij is de breedste en langste boulevard. Hij is onafzienbaar. ‘Wat!’ schijnt men te hebben gedacht, ‘een boulevard! Een boulevard behoort in een groote nieuwe stad! Goed! Ik zal jullie je boulevard geven!’
En nu is het dan ook nauwelijks meer datgene wat men met het woord ‘boulevard’ aanduidt. Alleen Parijs en Brussel hebben feitelijk boulevards, die het boulevard-aanzien van druk en gezellig verkeer hebben. Maar Regent-street en de Friedrichstrasse lijken méér op de Parijsche boulevards dan Newsky-Prospect. […] Hij is zoo lang en zoo recht en men ziet hem uitliggen tot de blinkende lucht van den gezichtseinder, alsof hij een oude heir- of postweg was […].

Nevskij Prospekt
Nevskij Prospekt nabij Gostinyj Dvor rond 1900, toen een groot handelsgebouw, nu een luxe winkelcentrum.

Van Deyssel concludeert:

Petersburg is de schepping van Peter den Groote en van de erven ook van zijn geest. Wat men hier ziet zijn natuurkrachten, gevoelskrachten, karakterkrachten, neigingen, hartstochten, zooals wij Westerlingen die niet meer kènnen. Het is het oude Oosten in vereeniging gebracht met en toegepast op het nieuwere Westen. Het is iets, dat wij bijna alleen van het tooneel kennen en nauwelijks begrijpen, en dat in levende werkelijkheid hier aanwezig is.

Mijn ervaring in Petersburg komt grotendeels overeen; wellicht is door enkele decennia kapitalisme een en ander veel meer met West-Europa gelijkgetrokken, maar Petersburg blijft een overweldigende en soms bevreemdende ervaring.
En hoe was het Van Deyssel eraantoe bij terugkomst? Terug naar het terzijde gelegde notitieboekje uit de dagboekendozen. Daarin tref ik enkele aantekeningen van direct na de reis:

Woensdag 13 september 1905, 10:30 avond
Op reis geweest van 9 Aug tot 11 Sept (Berlijn, St. Petersburg, Weenen, München)
Fouten zijn geweest: het meenemen van Joop en zelf met hem een week te Berlijn blijven (kosten hiervan f 130.-); Verder te veel betaald voor reis Wirballen – Petersburg f 35,- te duur logement te St. P. f 45,- totaal f 210,- Het kan alles véel goedkooper. De quaestie is maar hoe goedkooper hoe vermoeyender. – In alle duitsche steden leeft men met gemak voor 5 Mark per dag voor huisvesting en voeding en in Rusland voor ruim 5 Roebel.-

Van Deyssel had zijn oudste zoon Joop meegenomen en veel te veel uitgegeven. Dit laatste was een terugkerende ergernis; in zijn dossier ‘Reis’ noteert hij op 26 maart 1893 ook al wat ‘de fouten’ waren van een reisje naar Sedan (evenals zijn evaluatie van het reisje naar Roermond decennia daarna, in 1930, die begon met: ‘Het reisje naar Roermond is volbracht. De fouten waren: […]’)8, waarbij diep wordt ingegaan op de uitgaven rondom ‘huisvesting en voeding’.
Eenmaal terug in Amsterdam sloegen bij Van Deyssel, nu de grote festiviteiten van het Rembrandt-jaar 1906 dichterbij kwamen, de zenuwen toe. Een van de laatste notities in het boekje luidt:

Vrijdag 3 November 1905, 4u na-middag
Wanneer de Rembrandt-zaak op de een of andere wijze mislukte, dan beteekent dat nog heelemaal niets, dan is dat goed, dan is dat best. Het komt er absoluut niets op aan. Het leven gaat heel gewoon door. De Rembrandt-zaak is iets volstrekt onbeteekenends.

hahn_Deyssel
Van Deyssel stelde zich de Rembrandt-viering voor als ‘een gewoon, een ruig, een bont, een groot en grootsch en op een enkele plek wat al te ruw feest van het geheele volk’; ten onrechte tekende Albert Hahn hem dan ook op 22 juli 1906 in Zondagsblad van Het Volk als de feestcommissaris die Rembrandt wegens opgepaste kledij de toegang tot de viering ontzegt.

Hoewel de Rembrandt-vieringen van 1906 door sommige critici wat potsierlijk werden gevonden, en ondanks de interne strubbelingen in de verschillende subcomités (Van Deyssel was niet de enige met wie het lastig samenwerken was) kwamen de vieringen er inderdaad. De kroon van de Westertoren werd goudgeel geschilderd (iets wat bij de restauratie in 2006 weer werd teruggedraaid naar het oorspronkelijke blauw), de Nachtwachtzaal in het Rijksmuseum werd onthuld, er was een optocht, er waren diners, de première van Diepenbrocks Rembrandt-ode, voordrachten en nog veel meer.9
Voor mijn Van Deyssel-onderzoekingen kan de vlag echter nog niet uit; recent opgedoken brieven van de oudere Van Deyssel in een particuliere collectie nopen mij tot het verkennen van de resterende vierennegentig dozen. En wie weet wat er dan nog over het Ruslandreisje opduikt? Geen geringe taak, maar zoals Van Deyssel zichzelf aansporend toesprak in een van de tussen de dagboeken aan te treffen plakkaten, die hij in zijn schrijfvertrek had hangen: ‘Stoel-vast!!! Billen op stoel, kontinueel! Pennehouder in hand!! Zonder een sekonde van uitzondering. Hei, hei, pas op voor slaap.’
De volgende doos, alstublieft!

Met dank aan het Literatuurmuseum te Den Haag voor de inzage in het archief, aan Lies Balkstra voor assistentie tijdens het zoekwerk en aan Aleksandra Torohova voor proeflezing vanuit Petersburgs perspectief.
________________________
Simon Mulder is dichter, voordrachtskunstenaar en redacteur van Armada. Hij studeerde vergelijkend-historische taalwetenschap te Leiden en wijsbegeerte en klassieke talen te Amsterdam. Momenteel doceert hij Grieks, Latijn en filosofie op een middelbare school en promoveert in de historische taalkunde. Hij oprichter van Stichting Feest der Poëzie, waarmee hij poëzie- en muziekevenementen op bijzondere plaatsen organiseert, van een driedaags festijn rondom de dichters van 1880 tot avonden met muziek, poëzie en theater rondom dichters van nu, maar ook over Fernando Pessoa, Oscar Wilde en anderen. Tevens verzorgt hij de uitgave van Avantgaerde, een geheel met de hand gezet, gedrukt en gebonden tijdschrift voor de dichtkunst. Zie ook: www.simonmulder.nl en www.feestderpoezie.nl
_______________________
Literatuur

Herman Beliën & Paul Knevel, Langs Rembrandts roem. Salomé/Amsterdam University Press, Amsterdam 2006.

Lodewijk van Deyssel, Negende Bundel Verzamelde Opstellen – Rembrandt-Bundel. Scheltema & Holkema, Amsterdam 1906.

______, (ed. Harry G.M. Prick), Telephoonbriefjes en andere curiosa. BZZTôH, ’s-Gravenhage 1980.

Harry G. M. Prick, Een vreemdeling op de wegen. Het leven van Lodewijk van Deyssel vanaf 1890. Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2003.

Karel Reijnders, Couperus bij Van Deyssel. Een chronische konfrontatie in beschouwingen, brieven en notities. Proefschrift Katholieke Universiteit Nijmegen, 1968.

_______________________

Noten

[1] Zie http://www.feestderpoezie.nl
[2] Prick 2003: 729
[3] Reijnders 1968: 325-329
[4] Prick 2003: 726-727; Reijnders 1968: 325-329
[5] Reijnders 1968: 326
[6] Ibidem: 327
[7] Van Deyssel 1980: 68
[8] Ibidem: 67
[9] Beliën & Knevel 2006: 125-154

One thought on “Lodewijk van Deyssel naar Rusland”

  1. Met veel genoegen de vrucht van uw naspeuringen gelezen. Zelf verbleef ik acht jaar in Sint-Petersburg en ik heb zelfs een van uw optredens bijgewoond. Maar ik schrijf u omdat mij na lezing een ding wel zeer verbaasde en dat is dat Van Deijsel blijkbaar geen weet had van, of geen acht wilde slaan op het feit dat er in Rusland dat jaar 1905, te beginnen met de beruchte Bloedige Zondag in januari, een revolutie was uitgebroken. Hei, hei, stoelvast! Vriendelijke groet,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s