Guntram Vesper, ‘Op gang met Arnold Z.’ Een autobiografische miniatuur vertaald door Kees Wallis

Op 17 maart 2016 werd aan Guntram Vesper (Frohburg, 1941) de Literaturpreis der Leipziger Buchmesse uitgereikt voor zijn monumentale, ruim duizend pagina’s tellende roman Frohburg. In de Duitse pers werd het werk omschreven als het opus magnum van een schrijver met een omvangrijk oeuvre: proza, gedichten, essays en hoorspelen. De roman werd gezien als een ‘hoorn des overvloeds’, als een meanderende stroom van verhalen, vaak op eigen ervaringen gebaseerde belevenissen, tegen de achtergrond van de tijd – nationaal-socialisme, Tweede Wereldoorlog, DDR en Bondsrepubliek –,  als de verbinding tussen de microkosmos van de familie en de grote maatschappelijke en politieke stromen van de tijd, als het tweegesprek zonder einde tussen de schrijver en de feiten. Een recensent trok een vergelijking met het werk van

In de Frankfurter Allgemeine Zeitung werd gewezen op de bijzondere stijlkenmerken: de eigenzinnige interpunctie, de doorbroken chronologie en de drievoudig samengestelde zinnen. Auftakt mit Arnold Z., dat oorspronkelijk in 2009 verscheen bij de Corvinus Presse Berlin in een bibliofiele uitgave met linosneden van Zoppe Voskuhl, biedt een mooie introductie tot het werk van Guntram Vesper, vanwege de thematiek en vanwege de stijl. In alweer de Frankfurter Allgemeine werden de in de uitgave opgenomen vier schetsen, waarvan het titelverhaal er één is, getypeerd als autobiografische miniaturen: eigen herinneringen in een gelaagde historische structuur.

In de vertaling is geprobeerd die bijzondere stijlkenmerken zo veel mogelijk tot hun recht te laten komen. Voor zover de vertaler bekend werd niet eerder werk van Guntram Vesper in het Nederlands vertaald. Schrijver en (nieuwe) uitgever gaven graag toestemming voor deze publicatie.

Kees Wallis

Download hier Guntram Vespers ‘Op gang met Arnold Z’ in vertaling van Kees Wallis als pdf. 

Op gang met Arnold Z.

Een snikhete week in augustus 1964, ik was net drieëntwintig geworden. Overdag lag het land, naar het leek voorgoed gedeeld, in de schittering van de zon te trillen, hier net als daar. ’s Nachts drukte de uitgegloeide lucht zwaar op de dalen van het Zwarte Woud tot aan het Ertsgebergte en op de stadsstraten van Aken tot Görlitz.  Voor een paar weken was ik ontsnapt aan mijn warm geworden zolderkamer in Grone, een buitenwijk van Göttingen – huur tachtig mark, wc aan de overkant van de binnenplaats, buurman het latere SDS-kopstuk Krahl – en betrok ik bij mijn ouders in Reiskirchen, in de nieuwbouwwijk Am Stock, de koele kamer in het souterrain. Daar stonden in de kamerbrede kast, die ik zelf had geconstrueerd van zandstenen klinkers en spaanplaat, mijn boeken. Terwijl vader ’s middags spreekuur hield voor de zieken uit het Wieseckdal, zat ik in de tuin een cyclus gedichten te schrijven over de situatie, de algemene, de persoonlijke, die ik de naam gaf Am Horizont die Eiszeit. Tegen de avond maakte ik me nuttig met werk in de tuin, ik maaide het gras, snoeide de struiken en trok het onkruid uit. Moeder, de verhouding was innig maar gespannen alsof ik met mezelf overhoop lag, stopte me om de andere dag een muntstuk van vijf mark toe voor boeken, of wat anders. Vader liet me met rust. Pas ver na zijn dood, hij overleed, lichting nulzeven, begin 2003, bladerde ik de boeken uit Reiskirchen door op zoek naar geld dat hij al in Frohburg en daarna ook in het Westen tussen de bladzijden stopte. Gek genoeg vond ik geen enkel biljet. In plaats daarvan stuitte ik in Max Stirners Het individu en zijn eigendom op een bezitsaantekening van zijn hand uit 1928. Op een vage, terloopse manier was ik ontroerd door de zoekende jongeman die hij, nu dood, ooit was geweest, net als ik.

Als ’s nachts het hele dorp sliep en van tijd tot tijd door het ver opengezette kleine raam  het fijne sjirpen van de krekels te horen was en af en toe het verre geraas van de grote Noordzuid-autoweg, lag ik rokend op bed te lezen in de Neue Pitaval, de bundeling interessantste misdaadverhalen van alle tijden en plaatsen, waarvan ik de eerste vijftien delen in een koffer uit de Universiteitsbibliotheek van Göttingen had gehaald en in de sneltrein naar Oberhessen had meegenomen. In de bodemloze nachtelijke stilte van mijn kamer kraakte elke tien, vijftien minuten de kast onder het gewicht van de boeken om net als het klikken van de aansteker kleine rustpunten aan te brengen in de verhalen over misdaadzaken, die ook na honderd of honderdvijftig jaar niets aan geheimzinnigheid hadden ingeboet: de vrouw van koopman Behold, dokter Jahn, een verdwenen schildwacht. Meer dan eens legde ik het boek pas tegen de ochtend weg, beneveld door het zicht op onpeilbare diepten van dubbelzinnigheid, leugen en zelfbedrog, buiten werd het al weer dag, met bleek licht uit het noordnoordoosten. Nog één sigaret lang in de raamopening leunend zag ik in slow motion de bomen, struiken en weiden uit de duisternis tevoorschijn komen, eerst in een paar schakeringen van verschoten blauwachtig grijs, daarna steeds meer in de kleuren van de dag.

Voor tienen stond ik niet op. Toen ik op een ochtend boven kwam – vader reed visites –, overhandigde moeder me een brief uit München. Wolf Peter Schnetz, student germanistiek, aankomend dichter, twee jaar ouder dan ik, nodigde me uit voor een lezing in de Maistrasse bij de Sendlinger Torplatz, de avond zou zich in beperkte kring afspelen, bij hem thuis, maar de bijeenkomst zou wel in de pers worden aangekondigd en later op zijn minst in de Münchner Merkur worden gerecenseerd. Honorarium de recette van de avond, er stond een schaal op tafel in de hal.

Ik beloofde te zullen komen. Van mijn ouders leende ik hun Opel Kadett, een moderne lichtgewicht auto met pontoncarrosserie, de 1000 cc motor draaide zijn toeren, urenlang, aan het eind van de middag kwam ik in München aan. In de belangrijkste straten hing de walm van uitlaatgassen van het verkeer in een grote stad, auto’s, bussen en trams lawaaiden door de huizenkloven. In de Maistrasse een lange rij huurkazernes van het betere soort, uit de tijd van voor de Eerste Wereldoorlog, aan de bommen ontsnapt. Uit mijn kindertijd kende ik het verwoeste Leipzig, Dresden met zijn weggevaagde binnenstad en na onze vlucht uit Frohburg in 1957 ook het voor tachtig procent vernietigde Giessen met zijn opvangkamp voor vluchtelingen achter het station, een herbouwde grote stad als München was nieuw voor me.

Op de middelste verdieping van het pand aan de Maistrasse 8 een degelijke voordeur, ik kan me tot op de dag van vandaag het kaartje boven de bel herinneren: Literarisches Accubare. Moest je hier soms liggend voorlezen, vroeg ik me af.

Een jonge vrouw deed open, lang loshangend haar, donkerblond. Haar man was net de deur uit, naar de drukkerij om de hoek. In de smalle zijstraat kon ik de firmaplaat maar niet vinden, nog versuft van de reis met de auto liep ik vertwijfeld alle deuren langs, eindelijk vond ik het kleine bedrijf. Je liep door een inrijpoort, nam een paar treden omhoog en kwam in een ruimte met drie ramen aan de straatkant. Zon op de tafels, het rook naar drukinkt, lood en machineolie, zoals bij Bertholds in Frohburg, toen ik in drieënvijftig in zijn kleine drukkerij naar Edgar Wallace en Zane Grey vroeg, de boeken stonden achter slot en grendel in een kast, die achter de drukpersen geschoven was en die de restanten bevatte van de na 1945 door de nieuwe overheid verboden leesbibliotheek. Een wat ouder familielid van de eigenaars nam telkens mijn dubbeltje in ontvangst, deed de kast open en maakte plaats. Het dilemma van de keus in dat krappe hoekje, ik mocht een boek uitzoeken en zou het liefste de hele kast hebben meegenomen. Steeds die herinnering, als ik een vooroorlogse detective van Goldmann of Ullstein in handen krijg.

Hier in München, in de vertrouwde lucht van het drukkersambacht, trof ik bij tegenlicht een grote, zware man van halverwege de twintig over een zetraam gebogen, Wolf Peter Schnetz. Zijn grootvader, zo hoorde ik de volgende ochtend bij het ontbijt, was kolonel of generaal geweest, maar dan wel een Beierse en geen Pruisische, in Regensburg werd met nadruk gezegd, en zijn vader, ook officier, was in vierenveertig bij een vlucht boven het gebied van de ijszee verdwenen, misschien zelfs, een verzetsactie, door eigen mensen neergehaald.

’s Avonds, vier uur na mijn verwelkoming, droeg ik in de woonkamer van Schnetz tussen de geloogde meubels uit het grofvuil en de kostbare biedermeier meubelstukken van de vermogende grootmoeder uit Regensburg, mijn gedichten voor, Frohburg, vertrek uit Frohburg, het Duitse verleden en de Duitse deling. De toehoorders zaten op de planken, ze leunden tegen de muren en het kan zijn dat enkelen zich op het tapijt hadden neergevlijd om recht te doen aan de naam Accubare, ze ondergingen het allemaal geduldig. Er is een bandopname van die avond: vanwege de hoogzomerse, broeierige hitte stonden de ramen open en je hoort het verkeer van beneden. Ik weet nog dat de grootmoeder er ook was, de weduwe van de generaal, ze legde een biljet van twintig mark op de schaal in de hal, dat was een derde, ja bijna de helft van wat als honorarium voor mij bij elkaar kwam.

Onder de toehoorders een oude man, lang geleden een expressionistisch lyricus, daarna emigrant, ten slotte teruggekeerd en uiteindelijk vergeten. Ivan George Heilbut is zijn naam. Voor de eerste keer had ik voorgelezen en voor het eerst ook was een collega van de generatie der Expressionisten rond Pinthus onder mijn gehoor geweest. Ver na middernacht maakten mijn gastheren in de kamer ernaast, waar de beide bureaus voor de studie stonden, een slaapplek voor me klaar, ze rolden een slaapzak uit. Vóór mij hadden Günter Eich en Karl Krolow daar al in gelegen, wat wilde ik nog meer.

De volgende dag reed ik door naar Inzell. Daar had H. voor een weekend haar reis met haar Engelse uitwisselingsvriendin naar Wenen onderbroken. In de hoteldisco, die toen nog dancing werd genoemd, verbrasten we het Münchense honorarium. Met het laatste beetje benzine arriveerde ik weer in Reiskirchen. Precies op tijd om een brief van de Maistrasse in ontvangst te nemen. Inhoud een krantenknipsel, de Münchner Merkur had inderdaad verslag gedaan van de avond, vijftien regels. Nog hetzelfde jaar publiceerden Wolf Peter Schnetz en ik samen een boek: Je elementarer der Tod desto höher die Geschwindigkeit. We brachten allebei een gedichtencyclus in, van mij kwam Am Horizont die Eiszeit. En van Ludwig Meidner, de expressionist, die na zijn Engelse ballingschap in een wel heel eenvoudige een- of anderhalfkamerwoning aan een uitvalsweg in Darmstadt woonde, werd een aquarel gereproduceerd: Duinkerken, vluchtelingen als strandgoed onder een zwarte hemel, die Schnetz bij een bezoek van de bejaarde schilder cadeau had gekregen. Veel waren er niet die nog naar Meidner omkeken. Pas lang na zijn dood werden uitbundige tentoonstellingen aan hem gewijd, brachten zijn vroege werken op veilingen honderdduizenden op, topstukken miljoenen.

Kort na de verschijning stuurde ik onze bibliofiele uitgave met de reproductie van Meidner naar Arnold Zweig in Berlijn uit enthousiasme voor zijn Sergeant Grisja. Zweig, bijna blind, zat in de Homeyerstrasse in Pankow in een kleine, door de SED onteigende en eigenlijk voor Heinrich Mann als voorzitter van de Academie bestemde villa. Om de hoek woonden later ook Kamnitzer van het PEN Centrum Oost, Stefan Hermlin, na 1990, als ik me niet vergis, B-SH 134 op zijn Volvo, en andere Nieuwe Adel, terwijl aan de andere kant van de uitvalsweg richting Birkenwerder en de noordelijke ringweg het verboden gebied lag met de kasten van huizen van de partijbonzen: Pieck, Ulbricht, Grotewohl, Hilde Benjamin.

In zijn ballingsoord Haifa had Zweig voor zijn vrienden en lotgenoten verzwegen dat hij naar Oost-Berlijn wilde. We gaan op uitnodiging van de regering van Tsjechoslowakije met vakantie naar kasteel Dobris bij Praag, had hij kort voor zijn vertrek uit Palestina in 1948 laten weten. Zijn vrouw Beatrice, kunstschilder, was ook keurig op Dobris achtergebleven, toen Zweig het uitstapje naar het noorden maakte om te peilen hoe zijn kansen lagen en om overleg te plegen met de hoogste regionen. Na de onverwachte dood van Heinrich Mann ging hij de aan Mann toebedachte functie van voorzitter van de Academie vervullen, hij kreeg het huis in de Homeyerstrasse toegewezen, zijn romans verschenen in enorme oplagen, alleen de moeilijk liggende essays, bijvoorbeeld over Freud, werden in beperkt gehouden aantallen verspreid, gelimiteerde uitgifte, zou je leunend op de filatelie kunnen zeggen, slechts bereikbaar voor lezers die men vertrouwde.

Het geregel van bovenaf, tot en met de hoogte van de oplage van elk boek afzonderlijk. Aan zulke gewoonten viel niet te tornen. In zijn dagboek uit het begin van de vijftiger jaren doet Zweig, winnaar van de Lenin-Vredesprijs, verslag van zijn verblijf in een regeringssanatorium van de Sovjetvrienden op de Krim, Stalin leefde nog. Elke ochtend kwam de persoonlijk begeleidster het echtpaar vragen of het nog wensen had. Er was veel, heel veel, mogelijk. Wij schrijvers willen altijd graag weten waar we zijn, zei Zweig, wilt u ons alstublieft een kaart brengen van het schiereiland de Krim en het vasteland ervóór. Natuurlijk, heel graag, zei de begeleidster. Ze zagen elkaar dagelijks, maar geen woord over de kaart. Tot Zweig vier of vijf dagen later op zijn verzoek terugkwam. Morgen, zei de jonge vrouw. En inderdaad kwam ze de volgende dag al kort na achten opgetogen, enorm opgelucht, zou je vandaag de dag zeggen, de ontbijtzaal binnen en rolde voor de hoge gast uit Duitsland, de bakermat van wereldberoemde cartografische uitgeverijen, een soort wandplaat van de Sovjet-Unie uit, De grote bouwwerken van het communisme, gestileerde voorstellingen van stuwdammen, krachtcentrales, industriële complexen en kanalen in alle delen van het reusachtige land, Zweig had niet het hart of de moed kritiek te leveren op  de vast en zeker zorgvuldig geselecteerde, getrainde en talloze keren gescreende begeleidster, die misschien zelfs een militaire rang had. In het ongewisse blijft of hij het toch niet in de gaten had, toch niet het toneelstukje doorzag. Kaarten. Die waren er dan misschien niet van de diepste binnenlanden. Maar hier, de Krim. Het kleinood waar de Joden gek op waren. Bovendien een buitengrens. Aan de andere kant de Sjah en de Jong-Turken. Alleen al het doorgeven van Zweigs verzoek kon narigheid teweegbrengen. De ontvanger van dit geschenk was zeer verheugd. Of deed alsof.

Er was na die kuur ruim tien jaar verstreken, toen Arnold Zweig me bedankte voor ons boek. Ik laat me de gedichten iedere middag voorlezen, staat er in zijn brief, ik heb wat moeite om uw cyclus te begrijpen maar het werk van uw vriend blijft voor mij een gesloten boek. Niets, helemaal niets over de reproductie van Meidner. En vooral, heel eigenaardig, geen stom woord over de hechte vriendschap die hem eens met Ludwig Meidner verbond.

Na de dood van de beide Zweigs werd van het huis in de Homeyerstrasse met inbegrip van de inventaris een gedenkplaats gemaakt. Steeds dan geopend als de Oost-Duitse arbeiders er de minste tijd voor hadden: dinsdag en donderdag van tien tot half een. Ook wij hadden het er moeilijk mee. Of de doordeweekse dag kwam niet uit, of we hadden ons, verstrikt geraakt in wegcontroles en opstoppingen, een half uur te laat een weg gebaand naar Pankow. Zo kwam het dat we pas in de tijd van de omwenteling, begin 1990, een voet over de drempel zetten. Waarschijnlijk waren we de eerste en enige bezoekers van die dag. De rondleiding door de kamers die door de schrijver en de schilderes waren nagelaten, duurde drie uur. Steeds weer nieuwe vragen aan de vrouw, eind veertig, die ons rondleidde en die, zoals ze vertelde, ambtenaar was van de – die staatsinstelling bestond nog – Academie voor de kunsten van de DDR, die ondanks alle Für unser Land-oproepen eigenlijk nooit een land was, altijd alleen maar het afgescheiden, uiteindelijk door vreemdelingen bestuurde deel van een land.

Soms wil na uren praten de dooi intreden en volgt toenadering, de tijden waren ernaar en toen ik informeerde naar de bibliotheek van Zweig, werden H. en ik naar het souterrain geleid, daar waren in een kleine ruimte met zwevende buisstoelen uit de tijd van het Bauhaus, Arnold Zweigs boeken ondergebracht, voor een deel in rekken, voor een deel in kasten met glazen deuren, we kregen de Psychopathologie van het dagelijks leven met een handgeschreven opdracht van Freud te zien en Meidners dichtbundel Im Nacken das Sternemeer, opgedragen aan vriend Arnold.

Ik vroeg naar onze dichtbundel uit 1964. Onze gids dacht even na, daarop bukte ze vlak bij het raam, waar op de onderste plank boeken van wat groter formaat stonden, haalde het boek met de vertrouwde ronde titel op het omslag voor de dag, sloeg het open en reikte het me aan, ‘Aan de hooggeëerde Meester Arnold Zweig’, las ik in mijn handschrift en ik was blij verrast en tegelijk had ik een vervelend gevoel, dat had ik wel wat minder kunnen aanzetten, lezer en bewonderaar van Arno Schmidt die ik toen al was.

Voor het geval Arnold Zweig zich Am Horizont die Eiszeit liet voorlezen, dan was er jaren later in het oosten een andere geïnteresseerde die regel voor regel nog serieuzer nam en nog preciezer bestudeerde wat ik daar had geschreven. Vanaf het begin van de zeventiger jaren correspondeerde ik met mensen uit Frohburg en omgeving. Mijn vragen over details van de meest recente gebeurtenissen in familie- en lokaal verband en over bijzonderheden betreffende biografieën, burgeroorlog en machtsovername ter plaatse, rode en bruine Spanjestrijders uit de omgeving, lot van de bezitters van het kasteel van Frohburg na het einde van de oorlog, arrestatie van twee leraren in 1952, executie van een bruinkoolarbeider uit de stad Geithain op 17 juni, dat alles trok de aandacht van het bevoegde districtsbureau van de Staatsveiligheidsdienst. De club die zich afschermde maar zelf geen afscherming duldde, die alles geheimhield en alles wilde weten, was precies daar gevestigd waar die al tijdens mijn middelbareschooltijd gevestigd was, in de Schillerstrasse in Geithain, waar ik elke dag komend vanaf het station doorheen liep. Schiller, uitgerekend hij. Van de ironie was ik me destijds niet bewust, mijn aandacht ging uit naar de snuffelende, blaffende honden achter de ondoordringbare houten schutting rond de villa en de garages en verder de donkere EMK-limousines die af en toe de straat indraaiden wanneer de poort als vanzelf was opengegaan.

Ergens in de zeventiger jaren kreeg het complotterend gezelschap toestemming om ook in Geithain op het hoger gelegen deel van het perceel een nieuw pand te bouwen, qua vorm en grootte geheel conform de landelijk geldende normen en het voorzag het opgeleverde gebouw van videocamera’s. Doel van het werk was niet langer een voorbeeld te stellen, afschrikking, maar om alles onder controle te hebben.  Wat tot gevolg had dat er onder mijn zeven, acht correspondentievrienden en hun verwanten minstens drie hulpkrachten zaten. Een andere verklaring voor de brieffragmenten in de verzameling documenten is er niet. De ’s morgens bezorgde brief ligt geopend op tafel in de keuken of de huiskamer, in een onbewaakt ogenblik gaat een familielid snel zitten om haastig passages uit het vijandelijke bericht over te krabbelen. Of de ontvanger van de brief overhandigt zelf in een geheime woning het postale bericht uit het operatiegebied aan een kameraad luitenant of tweede luitenant in burger. Aan de verwachtingen beantwoorden. Tegenprestatie winterbanden of minder toegankelijke studierichtingen voor het kroost. Waar schaarste heerst, is beloning een simpel ding.

Bureauhoofd van het Ministerie voor Staatsveiligheid in het district Geithain was een zekere overste Möller. Waar hangt die uit. Nooit meer iets van gehoord, advocaat misschien. Begin tachtiger jaren liet Möller uit de Duitse Bibliotheek in Leipzig mijn boeken komen, voor zover daar aanwezig. Misschien stuurde hij een chauffeur, maar misschien ook stapte een gekwalificeerde medewerker in de trein die van Geithain via Frohburg en Borna naar Leipzig reed. In ieder geval was er een telefoontje naar de beslisambtenaar van het Ministerie in de bibliotheek of de directeur zelf aan voorafgegaan.

De directeur kende ik. G. was de neef van mijn aangetrouwde neef R.  Ze kwamen allebei uit arbeidersgezinnen in Lindenau en van allebei kon worden gezegd dat ze promotie hadden gemaakt. Toen moeder in het midden van de jaren vijftig wel eens een nacht in West-Berlijn overbleef om schoenen, koffie, cacao en chocola te kopen en bij haar oudtante Herzi overnachtte, liep ze in de grote vooroorlogse woning aan de Feuerbachstrasse in Steglitz af en toe ook G. tegen het lijf, die op dienstreis was om voor zijn bedrijf recent in het Westen verschenen boeken te kopen. Een knappe kop, zei moeder altijd en van zijn relatie tot de huiseigenares kreeg ze nooit goed hoogte.

Het spreekt vanzelf dat G. lid van de partij was, al vanaf 1946, en door haar naar voren werd geschoven. Begonnen als leider van een kaderafdeling. Door schriftelijke studie de titels doctor en professor behaald. Werkzaamheden in het buitenland. Frankfurter Buchmesse bijvoorbeeld.

In 1970, dertien jaar nadat wij waren uitgeweken uit Frohburg, was ik voor het eerst weer in Saksen ter gelegenheid van de Najaarsbeurs van Leipzig om in opdracht van Uitgeverij S. Fischer te schrijven over het gedenkteken voor de Volkerenslag, ik zag het reusachtige ding maar één keer, toen ik er in de auto voorbijreed. Neef R., bij wie ik onderdak had gevonden, liet me door zijn zoon, een student die na zijn dierenartsexamen met een Finse studiegenote zou trouwen en naar het buitenland vertrekken, naar de Duitse Bibliotheek brengen. Vlak bij het kinderziekenhuis waar ik ooit, kort voor ik voor het eerst naar school ging, geopereerd was, twee jaar na afloop van de oorlog. Als mijn ouders, oma en mammie Doris me ’s zondags op de afdeling kwamen opzoeken, lag ik al te wachten op mijn cadeautje, het grofkartonnen doosje, bont bedrukt, dat in een dichtgeplakte envelop supplementen voor de metalen bouwdoos van Trix bevatte. Was het bezoek tegen de avond weer vertrokken, dan verheugde ik me in het vanwege het weekend stille ziekenhuis steeds opnieuw op het zachte rinkelen en ratelen van de wielen, geperforeerde stroken, assen en schroeven in een kuil van de deken. Soepel, bijna vanzelf gleden de messing moeren om de assen van schroefdraad. Hoe de top van mijn duim de kleine zeshoeken omhoog en omlaag dreef.

Aangekomen in de Duitse Bibliotheek stoven mijn achterneef en ik allereerst naar de catalogi. Trotski ontbrak natuurlijk, maar nog steeds waren er nog Arno Schmidt, Ernst Jünger en zelfs Arthur Koestler. Beschikbaar voor wie, dat was een heel andere vraag. Ik stond perplex toen er ook een systeemkaart voor het boek van Schnetz, Meidner en mij bleek te zijn.  Ik uitte mijn verbazing tegenover G., die ons – R. had hem gebeld – in zijn grote directeurskamer ontving. Hij had het boek voor zich liggen en hield het omhoog, is toch ook een van de taken van onze firma, zei hij vriendelijk en een beetje uit de hoogte en zweeg daarbij over wat hij uit eigen ervaring nog beter dan ik wist van de gevoeligheid van bibliotheken. NSDAP-lid vanaf 1941. Dat ontdekte ik later. Tot het einde van de oorlog gebleven. Binnen een jaar dan van het een naar het ander, de weg was soms kort.

De volgende dag bracht neef R., net als G. lid van de partij en toentertijd districtsinspecteur van het onderwijs, me tegen de regels met zijn Skoda naar Frohburg. Beursbezoekers mochten de stadsgrens van Leipzig niet over. Terwijl mijn chauffeur vrienden bezocht om het ter wille van de verkoop van een tuin uit landhervormingsgebied op een akkoordje te gooien, kon ik drie uur lang door het stadje lopen. Weerzien met alle straten en straatjes, alle huizen en schuren en alle stukken bos van mijn jeugd, ik prentte de beelden in mijn geheugen. Fotograferen kon ik pas bij een tweede bezoek aan Frohburg, zes jaar later, met H. en Wolfram, ik verschoot vijf filmrolletjes, perceel na perceel, alleen voor de haveloze binnenplaats van Zur Post ontbrak me de moed, de schandvlek was voor mezelf taboe.

Als ik in Reiskirchen op bezoek was, liet ik me door mijn ouders aan de hand van de foto’s van de huizen de levensverhalen van hun bewoners vertellen. Dat waren avonden waaraan geen einde kwam, we dronken bier, rookten en steeds kwamen nieuwe onderwerpen ter sprake, steeds nieuwe schandalen van een kleine stad. En als ik dan na twaalven licht aangeschoten in mijn kamer in het souterrain op de rand van mijn bed zat om te proberen in kriebelschrift, puttend uit mijn geheugen, een soort verslag op papier te zetten, hoorde ik boven mij nog lang het klikken van deuren, voetstappen, stemmen, het werd maar niet stil.

Op onze reis met zijn drieën in 1976 liet ik H. ook mijn oude middelbare school in Geithain zien. We parkeerden onze auto met achterop een sticker Bicentennial US opzij van het station, een uur later kwamen we terug, de sticker was verdwenen. Ondertussen waren we twee keer, de kinderwagen met Wolfram voortduwend, door de Schillerstrasse gelopen, een van de videocamera’s zwenkte met ons mee, ik draaide weg, hield mijn kleine Rollei 35 als het ware toevallig op heuphoogte en drukte af.

Zo kon het gebeuren dat tegen de tijd dat overste Möller ons Münchense boek en mijn door Eremitenpresse uitgegeven dichtbundel Fahrplan liet halen, op mijn prikbord al lang een vergroting 20×30 van mijn kiekje van zijn kantoor hing. Die moest me helpen herinneren aan een voorval in december zesenvijftig. Een paar weken na de opstand in Hongarije, die moeder en ik iedere avond na negenen hadden gevolgd op de Duitstalige radiozender van de BBC, en na een begin van slechts licht gecamoufleerde opstandigheid op school, die verband hield met de aanvankelijke successen van de opstandelingen, zei ik, om mijn goede wil, mijn aanpassing te laten zien, bereid te zijn op zondagmorgen in de nieuwbouwwijk van de stad van deur tot deur te gaan om te collecteren voor het Nationale Wederopbouwwerk.  Jarenlang woonde in Frohburg tegenover ons bij vervoerder Schramm in de Thälmannstrasse de man met het papgezicht. Mäser heette hij, Staatsveiligheidsdienst. Zijn vrouw een grijze muis, onaantrekkelijk, waarschijnlijk typiste bij de districtsleiding of op het bureau van haar man. Geen kinderen. Hij meestal een hoed op. In de koude tijd van het jaar een dikke jas aan met een dubbele rij knopen. Bijna als vader, maar dan van het gevaarlijke slag: elk woord, elke handeling greep terug op geheime plannen, berekeningen en voorschriften. Hoogste autoriteit toch altijd de Sovjetvrienden. Als die corpulente, bleke buurman vrij van zijn werk, ogenschijnlijk vrij, uit het raam hing, rokend, zijn onderarmen op een sofakussen, ontsnapte op straat en markt niets aan zijn aandacht, alleen mij zag hij niet, ik stond achter de gordijnen in de eetkamer en observeerde hem.

Op zekere dag was het echtpaar uit Frohburg verdwenen, vreemde mensen in hun woning. En nu was ik op zondagochtend in de halflege arbeiderstrein naar Geithain gereden, helemaal op mezelf aangewezen, zonder mijn medeleerlingen die anders de coupés met lawaai vulden. Toegerust met de lijst van gevers had ik aangebeld bij de allereerste deur op de begane grond van het allereerste huis en degene die mij opendeed was Mäsers vrouw. Ze bekeek me van top tot teen, wie zullen we daar hebben, wilde ze daarmee zeggen, het liefste had ik rechtsomkeert gemaakt. Maar braaf dreunde ik mijn verhaaltje op, ze pakte de lijst, liet me in het trappenhuis wachten, ik hoorde een mannenstem, gelach, toen kwam ze terug met de twee mark die het echtpaar voor het Wederopbouwwerk overhad. Ik voelde me voor schut gezet, betrapt op de weg van de minste weerstand, op de een of andere manier een zelfbevlekker.

Als ik denk aan die zondag lang geleden of er zoals nu over schrijf, ga ik misschien of waarschijnlijk over Frohburg dromen. Eerst ben ik in de houten loods vol rotzooi op het binnenterrein van Zur Post, waar vaders auto, de fietsen en de handkar stonden en daarna in onze zolderkamer met de afgedankte spullen, het kapotte huisraad en het niet meer gebruikte speelgoed. Steeds samen met Wolfram. We zijn naar iets op zoek, een zaag of een pot augurken of de poppenkast van vroeger en raken verstrikt. Pas na een uur of langer nog rukken we ons eindelijk los en lopen naar buiten. Daar staat H., die op ons heeft gewacht, helemaal buiten zichzelf, met een gezicht waar het bloed uit is weggetrokken. Een onbekende man met een reusachtige hond aan de lijn kwam op haar toelopen, heeft het rotbeest onder het roepen van onze namen ook opgehitst en aangevuurd en hem steeds op het laatste ogenblik teruggetrokken. Ik dacht dat ik doodging, zegt H. En dat wij alleen aan onszelf dachten en haar op onveilig terrein aan haar lot overlieten.

Geen idee of Mäser nog op de Schillerstrasse werkte, toen mijn boeken daar binnenkwamen. In de dossiers kan ik zijn naam niet vinden. Het was veeleer bureauhoofd Möller, die als verantwoordelijke aan de slag ging. Dichtregel voor dichtregel ontrafelde en interpreteerde hij wat ik op drieëntwintigjarige leeftijd op papier had gezet en gepubliceerd had. Daarna fabriceerde hij een mengeling van korte bespreking en akte van beschuldiging en stuurde die onberispelijk uitgetypt langs beveiligde weg per telegram of koerier naar zijn ministerie.

Informeel werd achterhaald, schreef Möller op 28 mei, mijn geboortedag, dat Vesper per brief twee inwoners van het district Geithain had benaderd om antwoord te krijgen op voor een deel vijandig georiënteerde vragen, onder andere over een bij de diensteenheid geregistreerd object. Verscheidene keren heeft hij gevraagd om foto’s van dat object . Een eerste, niet uitputtend, onderzoek van zijn werken, in het bijzonder Am Horizont die Eiszeit, bracht aan het licht dat de schrijver fascistische drijfveren heeft en vijandig staat tegenover de DDR en de Sovjet-Unie. Bewijs: het Oosten. Dat woord maakt me na zeven vette jaren nog steeds aan het schrikken, ik zie meteen Aziatische tronies, mes tussen de tanden, de handen weinig zachtzinnig frunnikend aan de blonde vrouw Germania. Waar de huid niet dik is en zich in een verborgen hoekje nog een slecht geweten ophoudt, wordt zoiets blindelings geloofd. Mogelijk ook, dat de moeder, de oma of de zuster van de exegeet lang geleden het lot van de blonde vrouw Germania heeft moeten delen.

Omdat mijn vragen enkel over de buurgemeenten Kohren-Sahlis en Frauendorf gingen, rees volkomen terecht het vermoeden van andere contacten in Frohburg, Geithain en de dorpen in de omgeving en aangespoord door mijn dichtregels vroeg de overste te Geithain toestemming voor een zogeheten M-toezicht aan de voor schrijvers competente hoofdafdeling van het ministerie waar ik zoals ik nu weet sinds mijn scholierentijd in de stukken voorkwam wegens mijn briefwisseling met Zweig, Kunert en Hans Mayer; toezicht door de afdeling M betekende: post van mij naar het district Geithain en ook alle post aan mij uit dat district moest onderschept en binnengebracht worden. Kolonel Brosche, hoofd van de centrale afdeling, gaf het groene licht. Vanaf dat moment bevat mijn dossier geen enkel nieuw stuk meer, helemaal geschoond, tabula rasa. Maar het geheugen heeft geen schriftelijke bewijsstukken nodig, het heeft er maling aan en klopt en prikt. Alsof alles pas gisteren, pas kort geleden gebeurde. Toch zijn er sinds de lezing in de Maistrasse, sinds de briefwisseling met Arnold Zweig vierenveertig jaar verstreken. Een grote hoeveelheid van dat, wat iemand aan tijd toekomt. Afgelopen. Leeg. Weggesluisd. Dat zijn nieuwe woorden. Ik denk aan moeder. Zo tegen het einde stond ze een keer naast me op het balkon, beneden ons het Wieseckdal, achter ons vader, in de kamer, rokend, met zijn gedachten ergens anders, alleen niet bij moeder. Ik kan niet meer koken, zei ze opeens, half hardop, ik ben vergeten hoe het moet. Drie weken later ontstond er brand in de keuken. Nauwelijks waren we daar overheen of ze kwam voor de bakkerij ten val en brak haar dijbeenhals. Toen ik haar met alvleesklierkanker, wat niemand wist, afhaalde van het revalidatiecentrum in Bad Endbach en naar Reiskirchen reed, vroeg ze aan de rand van de stad Giessen: we zijn waarschijnlijk zo in Frohburg. Ja, zei ik toen en zeg ik nu, in Frohburg komen we, hoe dan ook.

Guntram Vesper, oorspronkelijke titel Auftakt mit Arnold Z., opgenomen in de uitgave Nördlich der Liebe und Südlich des Hasses, Gesammelter Prosa, Schöffling & Co, Verlagsbuchhandlung GmbH, Frankfurt am Main 2017. Meer informatie via www.schoeffling.de

__________________________

Kees Wallis (1949, Utrecht) rondde na het gymnasium een studie rechten af. Hij was achtereenvolgens werkzaam bij de gemeentelijke overheid, in de advocatuur en vanaf 1987 in de rechterlijke macht. De manifestatie Nederland vertaalt riep het oude vertaalplezier van de middelbare school weer wakker. Tegen het einde van zijn – voltijds – beroepsleven meldde hij zich als student bij de Vertalersvakschool. De opleiding Literair Vertalen Duits-Nederlands sloot hij in november 2016 af met een beoordeling goed. Deze vertaling is zijn eerste publicatie als vertaler.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s