Eurydice zingt

Dit jaar verscheen bij uitgeverij Wilde aardbeien een Nederlandse vertaling van De paarden van Tarkovski, een bundel uit 2006 van de Deense dichteres Pia Tafdrup. Tafdrup beschrijft de tragische aftakeling van haar dementerende vader in ‘grotesken van het vergeten’, met de orpheusische bedoeling hem uit de totale verdwijning terug te zingen.

Pia Tafdrup (1952) is in Scandinavië een gevierd dichteres die met verschillende belangrijke prijzen werd onderscheiden, waaronder de Scandinavische prijs van de Zweedse Academie. Haar gedichten zijn in meer dan dertig talen vertaald. In het Nederlands verscheen in 2011 De koninginnepoort, in de vertaling van Jytte Kronig, die ook De paarden van Tarkovski vertaald heeft en voorzien van een mooi, gedetailleerd nawoord. Op de achterflap van De paarden staat een poëticaal citaat van Tafdrup zelf: ‘ook al maak ik gebruik van mijn eigen leven,’ zegt ze, ‘ik geloof dat het zo algemeen is dat anderen er hun eigen leven in kunnen lezen.’ Dat lijkt me een reëel uitgangspunt: wat werkelijk persoonlijk is, is meestal ook universeel. Dit geldt des te meer als een dichter tragische aspecten van het leven ter hand neemt, waarmee iedereen vroeg of laat geconfronteerd wordt of kan worden: de dood van een ouder en de aftakeling die eraan voorafgaat.

De paarden van Tarkovski doet een beetje denken aan Doodsbloei (2010) van Pieter Boskma, een werk van bijna epische proporties over de rouw om zijn overleden vrouw. Boskma’s bundel is veel omvangrijker en bestaat uit sonnetten, maar inhoudelijk zijn er overeenkomsten. Zo zijn beide bundels zeer autobiografisch en tegelijkertijd mythologiserend. Het Orpheus-motief duikt ook bij Boskma geregeld op, het verlangen de ander al zingend weer aanwezig te stellen. Ook blijkt in beide bundels dat de dichter de dood van de geliefde ervaart als iets wat direct verband houdt met de eigen dood. Wanneer de ander sterft, wordt ook hij/zij zelf deels uitgewist. Behalve aan Doodsbloei doet Tafdrups bundel denken aan Gestameld liedboek (2011) van Erwin Mortier, waarin ook een dementerende ouder centraal staat. Mortier brengt het vergeten, de ontluistering en de pijn, en ook het verlies van taal prachtig in kaart, bijvoorbeeld in dit gedicht:

 

Dit is de mond waar ik in de wieg ik weet niet hoe lang

naar gestaard heb. Dit is de mond wiens gymnastiek

van liefkozing, slaaplied, gefluister me op het spek-

gladde oppervlak van de woorden overeind moet heb-

ben getrokken. Dit is de mond die haar spraak nu ont-

bladert, de woorden klinker voor klinker uitkleedt in

pufjes adem, tandengeknars, gesmak. Soms mompelt

ze mondenvol pap naar buiten, ben ik het die luistert

en met een zakdoek de woordmoes van haar kin veegt.

 

Dat Mortier inzoomt op de mond van zijn moeder, die hem eerst heeft leren spreken en nu zelf het spreken verleert, zozeer, dat hij ‘woordmoes’ van haar kin moet vegen, is ontroerend.

Tafdrup zoomt ook in op details van haar vaders aftakeling. Haar bundel bestaat uit drie afdelingen: een intro, de grotesken van het vergeten en een outro met het titelgedicht. In de intro wordt meteen duidelijk dat er veel op het spel staat:

 

Zal Eurydice

                haar dode vader halen –

als Orpheus bezingen

wat verloren ging?

Eurydice, de herinnering,

de eruptie.

Vóór de slang in de zon

                                               toebeet,

had Eurydice toch zeker een leven.

 

De aarzeling in de slotregel treft mooi de tragiek van dementie: wat overblijft van een geleefd leven zijn herinneringen, maar wat is er nog als ook die herinneringen verdwijnen? Een vaag besef dat er in dat gat eerst iets geweest moet zijn? De woorden ‘toch zeker’ en het ontbreken van het vraagteken scheppen een ambigue combinatie van twijfel en stelligheid, van angst én een gedecideerd verzet tegen het verdwijnen.

In deze regels lijken de rollen van Orpheus, Eurydice, de vader en de dochter wat door elkaar te lopen. ‘Zal Eurydice/ haar dode vader halen’ wekt de indruk dat Tafdrup zich identificeert met Eurydice, maar vervolgens wil zij het verlorene ‘als Orpheus bezingen’ en lijkt dit verlorene nader te worden bepaald door ‘Eurydice, de herinnering’. De slotregels lijken me daarom van toepassing op zowel de vader als de dochter: ook Tafdrup had ‘toch zeker een leven’ voordat haar vader haar vergat en stierf.

De achteruitgang van haar vader wordt beschreven in het middenstuk van de bundel, de grotesken van het vergeten. ‘Grotesken’ is een mooie benaming voor deze gedichten. Enerzijds beschrijven ze een fenomeen dat ondanks de tragiek alledaags is en helaas allerminst vreemd aan deze wereld, maar wanneer dementie haar eigen vader treft, voelt dat voor Tafdrup natuurlijk wel degelijk grotesk. Niet alleen haar geliefde vader verdwijnt in een man die steeds kindser wordt, ook zijzelf wordt telkens aangezien voor iemand anders. Zo krijgt ze in ‘Vlammen bevriezen’ een naaktfoto van haar toen nog jonge moeder in de handen gedrukt met de woorden: ‘Kijk, een foto van jou.’ Ook bevindt de vader zich in een vreemd niemandsland: ‘Dagen worden weken, maar éérder/ is voor mijn vader verdwenen/ en láter bestaat niet.’ Hij begint na dagen, jaren en leeftijden ook de seizoenen te verwarren, wat des te droeviger is omdat hij juist altijd zo bekwaam was in het ‘bomen lezen’. Hij wordt ondergebracht in een verzorgingstehuis, ontdekt tot zijn verbazing dat zijn vrouw niet blijft slapen en vraagt: ‘dus is het dan tóch een hotel? Een ziekenhuis? Of een gevangenis?’

Tafdrup beschrijft de aftakeling van haar vaders brein chronologisch. Het begint – voor zijn opname in het verzorgingstehuis – met kwijtgeraakte spullen (‘Eenvoudige voorwerpen als een portefeuille,/ zomaar zijn ze weg’) en een hond die niet gehoorzaamt, want ‘hij is dood,/ al jaren lang’. Vervolgens neemt het vergeten steeds totalitairdere vormen aan, zoals ook blijkt uit titels als ‘Het vergeten beheerst zijn heer’ en ‘De geest verliest terrein’.

Na het overlijden van haar vader, constateert Tafdrup: ‘De wereld is er nog,/ zelfs nadat/ mijn vader haar heeft verlaten,’ Ze reflecteert op de raadselachtigheid van herinneringen, het brein dat het ene onthoudt en het andere vergeet, niet wetend dat daar iets te onthouden viel: ‘Onthouden is níét vergeten –/ maar vergeten/ is blind/ voor de mogelijkheid om te onthouden./ Vergeten wist het bord schoon.’ Bovendien blijkt het vergeten een moeilijk te waarderen proces: ‘het is niet alleen een genade,/ ook een ongeluk,/ een realiteit… Het raadselachtige.’ Niemand die goed bij zijn verstand is zou een feilloos geheugen willen hebben, waarin elke akelige, pijnlijke of gênante ervaring gedetailleerd ligt opgeslagen, maar heel je geschiedenis verliezen, inclusief de mensen die je lief zijn geweest, is alsof iemand je van boven naar beneden uitgumt.

Het brein van Tafdrups vader is algauw niet meer in staat zelfs maar de recentste gebeurtenissen te onthouden. Wanneer Tafdrup plantjes in het perk voor zijn raam komt zetten, veert haar vader op en helpt mee. Maar het volgende gedicht, ‘Noodkreet’, vangt aan met de pijnlijke constatering: ‘De brug naar gisteren is opgeblazen, mijn vader/ kan zich niet herinneren/ dat we plantjes in zijn perk hebben gezet,/ de bloemen zijn niets, een blanco negatief.’

Tafdrup roept een pijnlijk beeld op, vooral door precieze en directe verwoordingen. De gedichten zitten niet vol originele beelden die het drama moeten oproepen, maar willen de realiteit, die dramatisch genoeg is, benoemen. ‘Nu is niet de oorlog/ maar het lijf/ de vijand’, constateert ze. En elders: ‘Mijn vader heft/ in een roes van medicijnen/ zijn armen voor zich omhoog – vraagt/ van wie die handen zijn?’ Wie heeft er nog beeldspraak nodig, als de werkelijkheid zelf al zo absurd en onbegrijpelijk is?

De tragische bundel besluit met het titelgedicht, waarin Tafdrup haar vader, al is hij al enkele dagen dood, meent te zien in de schoonheid van een paard. Deze ervaring lijkt te leiden tot berusting: ‘Zijn is niet/ zonder pijn/ zijn.’ Na dit gelaten besef lijkt Tafdrup, in de hoedanigheid van een orpheusische Eurydice, in staat haar vader, die als een eigenlijke Eurydice van de aardbodem verdwenen is, in haar herinnering tot leven te kunnen wekken en wel door te zingen:

 

De kracht van de tong –

                                               Eurydice zingt.

Iets in het wezen van het paard

maakt dat hij verschijnt.

Een schaduw licht op,

                                          nu IS hij hier gewoon.

__________________________

de-paarden-van-tarkovski

Pia Tafdrup, De paarden van Tarkovski (Tarkovskijs heste)

Vertaald uit het Deens door Jytte Kronig

Wilde aardbeien, Groningen, 2016

ISBN: 9789079873098

122 pagina’s

gestameld-liedboek

Erwin Mortier, Gestameld liedboek

De Bezige Bij, Amsterdam, 2011

ISBN: 9789023464099 

192 pagina’s

Portret Pia Tafdrup met haar vader. Foto: Philip Tafdrup.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s