Beriggie #7: Grenzeloos nesten

De Nederlandse letterkunde begint traditioneel met dit fragment uit de twaalfde eeuw:

hebban olla vogala nestas hagunnan
hinase hic enda thu
uuat
[wat] unbidan uue [we] nu.

Het alleroudste zinnetje Nederlands, in 1932 ontdekt in de rug van een boek door een taalkundige uit Oxford – wie is er niet groot mee geworden? Naar verluidt is het een probatio pennae, oftewel een schrijfsel van een monnik die zijn nieuwe ganzenveer uitprobeerde. ‘Alle vogels zijn begonnen met nesten maken, behalve ik en jij. Waarop wachten we nog?’

Het is natuurlijk een fraai beeld: twee vogels, een mannetje en een vrouwtje, die aan de geboorte van een nieuwe literatuur staan. Een vaderland krijgt een moedertaal.

In het gedicht ‘Na ’n besoek aan die dieretuin’ van de Afrikaanse schrijver D.J. Opperman kwam ik deze regels tegen: “Twee kraaie het hul nes gemaak/ van stukkies draad […] net [alleen] in ’n enkelkamer ek en jy/ van hulle vreugde afgeskei” (uit Negester oor Ninevé, 1947).
De verwantschap tussen de kraaien en de twaalfde-eeuwse vogala leek me duidelijk, al helemaal omdat Opperman in een heruitgave (1963) een expliciet motto toevoegde aan het gedicht, dat er toen als volgt kwam uit te zien:

Ná ’n besoek aan die dieretuin
Hebban olla vogala…

Twee kraaie het hul nes gemaak
van stukkies draad;

en in staalkoue
ver van riete en riviere afgesluit
broei rooivinke en wildepoue

nog hul eiers uit:

in ysterhokke
ver van rantjies en langgras
werp ape en die waterbokke
nog hul kleintjies af;

net in ’n enkelkamer ek en jy
van hulle vreugde afgeskei.

Mijn interpretatie ging ongeveer als volgt. Landen stellen doorgaans graag een ver beginpunt van hun taal en literatuur vast. Van een vroege oorsprong gaan immers een zekere autoriteit en een aanspraak op zelfbeschikking en respect uit.

Wat nu als je een nieuwgeboren land bent? Hoe legitimeer je je zelfstandigheid? Waar ga je de oorsprong van je cultuur zoeken? Zuid-Afrika, of in elk geval een groot deel van de blanke Afrikaanssprekende geleding, keek naar Nederland toen het begin twintigste eeuw zelfstandig werd.

Terwijl in Nederland de Middeleeuwse letterkunde langzaam wegebde uit de leeslijsten en de boekwinkels, begon Zuid-Afrika lustig de Middelnederlandse klassiekers uit te geven. Mariken van Nymegen, Elckerlijc, Karel ende Elegast: allemaal werden ze in degelijk Afrikaans vertaald in series met veelzeggende namen als ‘Van Stamverwante bodem’ en ‘Prosa van die Lae Lande’. Het was de periode dat het Afrikanernationalisme zijn vleugels uitsloeg. Het Afrikaans werd erkend als taal en de aankomstdag van stamvader Jan van Riebeeck was als jaarlijkse feestdag ingesteld. Zo legitimeerde men een jonge samenleving. ‘Ná ’n besoek aan die dieretuin’ paste er voor mij naadloos bij.

Maar de dominante interpretatie van het gedicht was lange tijd een radicaal andere. Ze is te mooi om niet te citeren. De criticus A.P. Grové legde in 1953 uit:

Oppervlakkig gesien, handel die gedig oor diere in ‘n dieretuin, maar eintlik gaan dit oor die moderne mens in die stad. Daarom is die titel ‘Ná ’n besoek aan die dieretuin’; dis ’n besinning op so’n besoek, en in die slotverse word ons dan ook met ’n soort skrik voor die heillose lot van die mens gestel. In meer as een opsig deel hy die lot van die diere, maar in een essensiële opsig is die enkelkamerbewoner slegter daaraan toe as die diere: die woningnood het vir hom die opbou van ‘n gesin onmoontlik gemaak.

Grové moest het nog zonder Oppermans motto stellen, maar is toch beticht van ‘serebrale manipulasie’.
Is het echter wel belangrijk wie er nu gelijk heeft? Iedere lezer komt met andere kennis naar de leestafel en zal aan andere tekstelementen belang toekennen – en sommige zelfs negeren. Zo zouden we ook kunnen interpreteren dat, juist doordat ‘ek en jy’ in het Afrikaans ook (nog) niet nesten en zelfs in een ‘enkelkamer’ zitten, de Afrikaanse letterkunde zich verweesd voelt van een Nederlandse oorsprong.

In mijn promotie-onderzoek worstel ik met raamwerken van interpretatie. Wat bedoelen we als we over ‘Nederlandse’ letterkunde praten? Boeken uit Nederland? Nederlandstalige boeken van overal ter wereld? Wat betekent het precies als de Afrikaanse cultuur een oorsprong in ‘de Nederlandse’ zoekt? Is de literatuur uit de kolonies Nederlands, of toch niet? Of in het geval van nóg oudere teksten: hoe nuttig is het om over Nederlandse letterkunde te praten, als die komt uit een periode waarin Nederland nog niet bestond, en hét Nederlands al helemaal niet?

Zo blijft ook het oudste stukje Nederlands een heet hangijzer. Af en toe ontstaat er discussie doordat wordt beweerd dat ‘hebban olla vogala’ Oudengels is, maar inmiddels is de Vlaamse herkomst van het papier aangetoond en staat wel vast dat die onnodige ‘h’-klanken duiden op een West-Vlaamse kloosterling. Over Nederlandse letterkunde gesproken…

Afijn, Nederland en Vlaanderen kunnen gerust zijn: ze hebben ‘hun’ oudste tekst nog. En Zuid-Afrika heeft de zijne sinds kort ook. Om maar met de titel van het recentste deel van de nieuwe Nederlandse literatuurgeschiedenis te eindigen: Altijd weer vogels die nesten beginnen.

__________________________

Bronnen

H. Brems, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005. Bert Bakker, Amsterdam 2009.

A.P. Grové, Woord en wonder. Nasou, Kaapstad 1953.

D.J. Opperman, Negester oor Ninevé. Nasionale Pers, Kaapstad 1963 (1947).

7_brems_vogels7_Opperman_Negester oor Nineve

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s