Ferdows Kazemi: Een leven in taal

De uit Iran naar Nederland gevluchte schrijfster en columniste Ferdows Kazemi vertelt in ‘Een leven in taal’ hoe ze in de Nederlandse taal haar vorm vond. ‘Ik voelde me afgesloten en wilde koste wat kost uit dat isolement. Er was maar één uitweg: heel snel de taal van dit land leren. Ik zette al mijn zintuigen aan het werk en betrok ook mijn hart erbij. Je kunt een taal niet leren als je er niet verliefd op wordt. Dat werd ik, en dat was mijn redding.’

Download hier ‘Een leven in taal’ van Ferdows Kazemi als pdf.

Door Ferdows Kazemi

Het was 5 februari 1993 toen ik op Schiphol landde, een dag met een temperatuur van net boven de 2 graden. Te koud voor iemand die net Shiraz in Iran verlaten heeft.

Shiraz; de stad waar ik ging studeren toen ik net achttien was. De stad die geen strenge harde winters kent. De stad van dichters en wijn. De stad met de bedwelmende geur van citrusbloesem. Maar ook de stad die je laat voelen dat je een vrouw bent met beperkte rechten. De stad die jouw naam in de vergetelheid laat raken zodra je een kind krijgt. Je bent dan de moeder van. Je vergeet daarna wat je voornaam is. Niemand noemt jou dan nog bij je naam. Het is je kind met wie je geïdentificeerd wordt. Je wordt de moeder van je dochter genoemd zolang je geen zoon hebt. Komt de zoon, dan ben je de moeder van je zoon.
Dat was de eerste cultuurschok in mijn leven. Een behoorlijke openbaring voor een dorpsmeisje dat naar de grote stad gekomen was. De daaropvolgende acht jaren werd ik geconfronteerd met nog meer culture verrassingen die moeilijk te rijmen waren met mijn dorpscultuur. Maar ik overleefde ze, allemaal.
En integreren? Nee, dat weigerde ik. Ik zou te veel van mezelf moeten opgeven. Je kunt van een dorpeling niet verwachten zich snel te onderwerpen aan nieuwe machtsverhoudingen. Ik kon bijvoorbeeld moeilijk begrijpen dat een jonge vrouw de eerste periode van haar huwelijk bij haar schoonfamilie moest wonen voor de opvoedkundige lessen in het ‘zich gehoorzaam opstellen tegenover de echtgenoot’.
De lessen van mijn moeder in onafhankelijkheid waren zo in mijn hoofd geprent dat er geen ruimte meer was voor de stille inburgeringscursussen van Shirazi’s. Ik moet er wel bij zeggen dat het dorp waarin ik opgegroeid ben niet representatief was voor een doorsnee dorp in Iran. Dankzij de kolenmijnen werd dat dorp bevolkt door Iraniërs uit alle hoeken van het land die daar voor werk beland waren. Maar binnen dat dorp was mijn moeder ook niet een doorsnee dorpsvrouw. Zij wist respect af te dwingen bij de mannen door haar sterke karakter en haar obstinate houding, en haar positie als de echtgenote van het dorpshoofd hielp haar daarbij. En ik was ook geen doorsnee dorpsmeisje dat zo snel mogelijk wilde trouwen en kinderen krijgen. In een dorp beleef je doorgaans geen spannende avonturen. Daarom is een gezin stichten het hoogst haalbare voor een dorpsmeisje. Dat brengt tenminste wat roering met zich mee. Maar ik compenseerde het gebrek aan avontuur met veel lezen, en dat begon al op de basisschool. Ik las alles wat ik te pakken kon krijgen, met een sterke voorkeur voor klassieke literatuur. Op mijn vijftiende kende ik zo’n beetje alle klassieke goden. Mijn obsessieve liefde voor boeken zorgde voor inzichten die toen als taboe beschouwd werden in de Iraanse samenleving. Als je van een dorp naar een grote stad gaat heb je in principe meer bewegingsruimte. Maar niet als je taboes wilt doorbreken. Niet als je na je studie niet teruggaat naar je ouderlijk huis. Niet als je ongetrouwd apart van je ouders gaat wonen.
Ik bleef daarom tot op het laatst een dorpsmeisje in Shiraz dat gedoogd werd door die prachtige stad. De stad die ik intens heb liefgehad omdat daar mijn wording tot volwassen vrouw vorm kreeg. Nog steeds droom ik regelmatig dat ik in de straten van Shiraz op zoek ben naar mijn huis. Maar als ik wakker word ben ik blij dat ik me in mijn Haagse woning bevind.

Bij aankomst in Nederland kwam ik terecht in een Nederlands gezin bij wie cultuur hoog in het vaandel stond en culturele verschillen niet bij voorbaat verworpen werden.
Mijn Nederlandse ‘ouders’ – ik werd als vijfde kind in het gezin opgenomen – hadden hun eigen rituelen. Elke avond na het eten zaten ze ieder in hun eigen fauteuil tot laat te lezen. Vader was huisarts en las naast literatuur ook vaklectuur en moeder las vrijwel altijd romans. Ik weet dat ik toen heimelijk naar hen en hun volle boekenkast keek, en me voor het eerst realiseerde hoe moeilijk het leven moet zijn als je niet kunt lezen. De grootste frustratie van een woordenliefhebber is een boekenkast waar je niets aan hebt. Als je doof en blind bent hoor en zie je niets. Dat lijkt me minder frustrerend dan wanneer je klanken hoort en woorden ziet waarvan je de betekenis niet begrijpt.
Nooit eerder had ik zo veel waardering gehad voor taal als toen. Taal was altijd een vanzelfsprekend en belangrijk onderdeel geweest van mijn bestaan. En die taal was ik kwijt. Ik kon niet eens een paar eenvoudige zinnen verstaan, laat staan boeken lezen.
Ik voelde me afgesloten en wilde koste wat kost uit dat isolement. Er was maar één uitweg: heel snel de taal van dit land leren. Ik zette al mijn zintuigen aan het werk en betrok ook mijn hart erbij. Je kunt een taal niet leren als je er niet verliefd op wordt. Dat werd ik, en dat was mijn redding.
Hoe kun je niet van een taal gaan houden die jou waardigheid, veiligheid en vrijheid schenkt?
Hoe kun je niet verliefd worden op een taal die jou ertoe laat doen, waar de woorden jou erkenning geven?
Hoe kun je niet van een taal houden die jou in staat stelt om het vrije woord te verspreiden?
Hoe kun je een taal niet liefhebben die jouw instrument is bij het vertellen van je verhalen?
Elke zin die ik leerde bracht me een stap dichter bij een volwaardig bestaan in dit land.

Mensen sterven, maar hun verhalen blijven. Ik wilde mezelf onsterfelijk maken. Ja, misschien was dat de belangrijkste drang die me ertoe zette om zo gepassioneerd Nederlands te leren.
Naast mijn reguliere taalcursus, die ongeveer vier maanden duurde, begon ik op advies van mijn Nederlandse ouders met de Nijntjeboeken. Daarna gaven ze mij een aantal andere kinderboeken cadeau. En ik begon direct na mijn eerste taallessen kaartjes naar hen te sturen, waarin ik in simpele bewoordingen beschreef wat ik dagelijks deed.
Schrijven was altijd mijn passie geweest, en de Nederlandse taal daagde me uit om nieuwe uitdrukkingsvormen te vinden.

De eerste jaren had ik geen tijd voor het lezen van literatuur. Mijn universitaire studie in de nieuwe taal – met behulp van drie woordenboeken (Nederlands-Engels-Perzisch) – met daarnaast een fulltime baan lieten daar geen ruimte voor.
Pas toen ik afgestudeerd was begon ik literatuur te lezen. Nederlandse romans spraken me aanvankelijk niet aan. Ik vond de stijl droog en zakelijk, gewend als ik was aan de stijl van de literatuur in mijn moedertaal: bloemrijk en poëtisch, met lange zinnen en fijnzinnige beschrijvingen.
Later – het lezen in mijn moedertaal was ik inmiddels ontwend en de Perzische literatuur vond ik nu te pathetisch – ontdekte ik in de romans van Arthur Japin verwantschap met de stijl die me vertrouwd was. Japin was voor mij een kruising tussen het droge Nederlandse en het bloemrijke Perzische taalgebruik. Zijn stijl verloste me van de angst voor het schrijven in het Nederlands; ik was bang geweest dat mijn woordgebruik te zweverig zou klinken voor de nuchtere Nederlander. Tegelijkertijd kon ik dankzij zijn boeken mijn oordeel over de Nederlandse literatuur bijstellen en vergrootte Japin de liefde voor mijn nieuwe taal.
Aangemoedigd door mijn echtgenoot begon ik aan mijn debuutroman De ongewenste zoon. De drang om te vertellen naast de angst om het verhaal onafgemaakt los te laten, maakten dat ik het boek binnen drie weken schreef. Daarna was de inspiratie weg. Ik begon aan een tweede roman, maar die maakte ik nooit af.

Afgelopen twee jaar hield ik oral history-interviews met vluchtelingen in het kader van het project ‘Ongekend Bijzonder’. Mensen maakten me deelgenoot van hun leven door hun vertellingen. Het leed en de vreugde van nieuwkomers. Verhalen die soms voor het eerst verteld werden. Een schat aan verborgen literaire stof die zal verdwijnen als die niet wordt verzameld en bewaard. Wie weet ben ik degene die uit die verhalen een roman destilleert, en zo mijn passie om te schrijven kan inzetten om de Nederlandse lezers bekend te maken met verhalen van mensen uit andere culturen.

___________________________________

Ferdows Kazemi werd in 1966 geboren in een Iraans dorp en studeerde sociologie in Shiraz. Tijdens haar studie kwam ze in verzet tegen de islamitische regering, wat resulteerde in een korte gevangenschap en vervolgens langdurige onderdrukking en achtervolging. In 1993 kwam ze naar Nederland, waar ze Algemene Sociale Wetenschappen studeerde aan de universiteit van Utrecht. Ze werkt als schrijver en columnist.

Advertenties

2 thoughts on “Ferdows Kazemi: Een leven in taal”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s