Schrijven over de grens – literatuur en migratie, een introductie

De komende maanden publiceert Armada een reeks essays, gedichten en columns over literatuur en migratie, met grote aandacht voor auteurs uit verschillende tijden en culturen die zich om uiteenlopende redenen genoodzaakt voelden hun vaderland te verlaten. Marleen Rensen trapt het dossier af. ‘Het moge duidelijk zijn: literatuur getuigt van het feit dat migratie er altijd geweest is, binnen Europa, vanuit Europa en naar Europa. Door de eeuwen heen zijn mensen de grenzen van hun geboorteland overgegaan om zich in een ander land te vestigen, om politieke of economische redenen.’

Download hier de inleiding van Marleen Rensen op het dossier over literatuur en migratie als pdf. 

In haar column ‘Aeneas migreert’ van begin maart 2016 schrijft Mieke van Zonneveld dat de Aeneis van Vergilius een verhaal is over ‘het verlangen om ergens thuis te zijn’. Nadat Troje door de Grieken is ingenomen, verlaat de held Aeneas zijn geliefde geboortegrond om samen met de andere Trojaanse vluchtelingen in ballingschap te gaan. Na allerlei omzwervingen zetten zij voet aan wal in Italië om daar een nieuw rijk te stichten. Mooi is de smeekbede van Aeneas aan het slot: ‘Apollo, geef ons een eigen huis en stad die blijvend zal zijn.’ Weggaan, de grens overgaan en een nieuw leven beginnen in een vreemd land, het zijn grote thema’s waarover vóór en na Vergilius eindeloos veel verhalen geschreven zijn.

‘Aenas migreert’ vormt de opmaat van een reeks essays, gedichten en columns over literatuur en migratie die de komende maanden door Armada gepubliceerd zal worden. Het thema wordt vanuit diverse perspectieven belicht door aandacht te besteden aan auteurs uit verschillende tijden en culturen die zich om uiteenlopende redenen genoodzaakt voelden hun vaderland te verlaten.

Ontheemding

In de huidige maatschappelijke discussie over vluchtelingen wordt nog wel eens vergeten dat migratie en ballingschap er altijd al zijn geweest. Die historische verblinding is misschien ook wel begrijpelijk omdat de instroom van niet-westerse migranten in Europa zo grootschalig is en zo snel toeneemt dat het om een nieuw fenomeen lijkt te gaan. Toch is het van waarde om het fenomeen migratie in een breder historisch perspectief te zien. Mede dankzij literaire teksten kunnen we onderzoeken wat het betekent om de grenzen van naties, talen en culturen te overschrijden en wat de rol van literatuur daarbij is.

In dit nieuwe Armada-dossier willen we laten zien dat er, ondanks verschillen, veel overeenkomsten zijn in de ervaring van migratie door de eeuwen heen: de heimwee en het ontheemd zijn, de confrontatie tussen culturen, de worsteling met de taal en de zoektocht naar een nieuwe identiteit.

Wie teruggaat in de tijd ziet dat Nederland een lange geschiedenis van migratie kent. Eeuwen geleden al namen schrijvers en geleerden de wijk naar Nederland om te ontkomen aan politieke of religieuze conflicten in hun eigen land. Uit het buitenland kwamen ook handelaren en soldaten die zich langdurig vestigden in grote steden als Amsterdam en Den Haag. Vanaf de vijftiende eeuw kwamen er grote aantallen Spanjaarden. Onder hen waren Sefardische joden die verdreven waren uit het katholieke Spanje, maar ook veel soldaten die zich ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog op Hollandse bodem vestigden. Yolanda Rodríguez Pérez toont in haar bijdrage dat de geschriften die deze Spanjaarden hebben nagelaten een mooie inkijk geven in het contact tussen de verschillende culturen en in de beeldvorming over de Nederlanden. Interessant is dat het beeld over de ‘ander’ daarin geleidelijk gevormd wordt en gaandeweg stereotypische trekken krijgt.

Als het gaat om het beeld van Nederland in vreemde ogen is ook de geschiedenis van de Engelse Pilgrim Fathers interessant. Deze zeventiende-eeuwse calvinisten die de Anglicaanse staatskerk niet puriteins genoeg vonden trokken in 1609 eerst naar Amsterdam en toen naar Leiden om hun geloof ongestoord en zonder vrees te kunnen belijden. Ze zochten vrijheid, maar werden negatief verrast: het leven in de Nederlanden was er in hun ogen veel te vrij, te losbandig en zedeloos. Mede om die reden vestigden ze zich uiteindelijk in 1620 in de Verenigde Staten, waar ze een eigen gemeenschap stichtten die legendarisch zou worden. Hans Bertens doet verslag van de ervaringen van deze puriteinen, die Leiden voor Boston verruilden.

‘Gelukszoekers’

In het licht van de huidige discussie over de opvang van vluchtelingen en asielzoekers is het goed te beseffen dat Europa vaak niet de plaats van bestemming was, maar de plaats van vertrek, zoals het voorbeeld van de Pilgrim Fathers al illustreerde. Niet alleen Engeland en Nederland, maar ook Ierland, Italië, Duitsland en Polen zagen veel inwoners weggaan om economische redenen. En Zweden bijvoorbeeld, dat nu veel asielzoekers opvangt, was tot midden twintigste eeuw een migratieland. In de negentiende eeuw trokken velen uit Zweden weg op zoek naar een beter leven in de Verenigde Staten. ‘Gelukszoekers’ zouden ze nu genoemd worden, families die de armoede in eigen land trachtten te ontvluchten en een beter bestaan hoopten op te bouwen in de Nieuwe Wereld. De Zweedse emigratiegolf aan het eind van de negentiende eeuw werd prachtig geboekstaafd door Vilhelm Moberg. Suze van der Poll bespreekt de vierdelige romanreeks die Moberg tussen 1949 en 1959 schreef, waarin uitgebreid verslag wordt gedaan van de omstandigheden voorafgaand aan het vertrek, het vertrek zelf en de moeizame opbouw van een nieuw leven in het nieuwe vaderland. De vier delen verschenen in het Nederlands als De emigranten (1949), Pioniers in de nieuwe wereld (1952), Kolonisten in Minnesota (1956) en De laatste brief naar Zweden (1959).

Naast economische migranten waren er met name in de twintigste eeuw ook veel politieke ballingen die de wijk namen naar Amerika of Canada om het communisme of fascisme in Europa te ontvluchten. Een grote groep werd gevormd door de schrijvers uit Centraal- en Oost-Europa. Een bekende ‘migrantenauteur’ is de uit Hongarije afkomstige Sándor Márai, die in Duitsland, Frankrijk en Italië verbleef voor hij begin jaren 1950 de oceaan overstak. Het vertrek viel hem zwaar. Afgesneden van zijn geboorteland probeerde hij de Hongaarse cultuur en taal levend te houden door in zijn moedertaal te schrijven en zijn landgenoten aan de andere kant van het IJzeren Gordijn toe te spreken via de radio. ‘Odysseus’ was een van de schuilnamen die hij gebruikte. De held uit Homerus’ epos komt ook terug in Vrede op Ithaca (1952), de roman die Márai in ballingschap schreef. Dit vervolg op de Odyssee laat vooral zien dat ‘thuiskomen’ niet zo vanzelfsprekend is. Odysseus, die terugkeert op Ithaca na jarenlang te hebben rondgezworven, kan niet meer aarden, hij is een vreemde geworden.

Leedvermaak

Veel schrijvers die naar de Verenigde Staten migreerden waren meer op de Nieuwe Wereld dan op de Oude Wereld gericht. Bekend is dat Vladimir Nabokov al vrij snel in het Engels begon te schrijven nadat hij in 1940 in Amerika aankwam, ruim een decennium eerder dan Márai. Nabokov schreef met Pnin (1953) een schitterende roman over migratie. Timofej Pnin is, net als de auteur zelf, een Russische emigré die Slavische talen doceert aan een Amerikaanse universiteit in de jaren 1950. De verteller schetst een hilarisch portret van de klunzige Pnin, die zijn best doet om te assimileren maar niet begrijpt hoe dingen werken. Zijn kleding, zijn accent en gekke uitdrukkingen, zijn humor, alles aan hem verraadt dat hij vreemd, onaangepast is. Collega’s op de campus vermaken zich met imitaties van zijn zware Russische accent en zijn brede, typisch Russische schouderophalingen en handgebaren. ‘Arme Pnin,’ merkt de verteller vaak ironisch op.

Maar deze meesterlijke vertelling zet de lezer op het verkeerde been. Achter de komedie schuilt ook tragiek; soms heeft Pnin visioenen van vrienden en familieleden die vermoord werden in het revolutionaire Rusland en soms is hij in gedachten bij zijn joodse geliefde die om het leven is gekomen in Buchenwald. Maar het verhaal neemt pas echt een ernstige wending wanneer de verteller zich tegen het einde ineens presenteert als een oude bekende van Pnin, ook een Rus maar, anders dan de hoofdfiguur, een geslaagde, succesvolle migrant die helemaal is ingeburgerd en aan Nabokov zelf doet denken. De lezer krijgt nu meer inzicht in de achtergrond van deze goeiige man, die altijd maar zacht en aardig blijft terwijl iedereen, de verteller incluis, de spot met hem drijft. De tragiek en de pijn van het ontheemd zijn wordt vooral invoelbaar gemaakt in de slotscène, wanneer Pnin een ‘house heating’ feestje geeft voor zijn collega’s en aan het eind van de avond te horen krijgt dat hij zijn baan verliest. Het leedvermaak om Pnin wordt nu ongemakkelijk, ook voor de lezer die zich aan het slot haast medeplichtig voelt.

De roman Pnin, waar Willem Weststeijn een essay aan wijdt, is onverminderd actueel. In meer recente literatuur die migratie tot onderwerp heeft, zien we dezelfde thematiek van de geslaagde of mislukte assimilatie en de culturele misverstanden, die soms komisch, soms tragisch zijn en vaak allebei. Belangrijk is ook de dubbele positie van de vertellersfiguur, die als insider en outsider naar voren treedt om het migrantenmilieu vanuit verschillende perspectieven te belichten. Nabokov is een belangrijke referentie in de literatuur over migratie, niet alleen om zijn onvergetelijke Pnin, maar ook omdat hij gezien wordt als een exemplarische schrijver-migrant die er vooral in zijn autobiografische Speak, Memory in is geslaagd om zijn jeugdherinneringen in het oude Rusland tot literatuur om te werken.

Heimwee

Nabokov speelt onder meer een rol in het oeuvre van W.G. Sebald, die een bijzondere stem heeft in de literatuur over exil en migratie (maar geen spat van de humor liet zien die zo kenmerkend is voor de auteur van Pnin). Sebald was zelf een migrant, die zijn geboorteland Duitsland verruilde voor Engeland. Hij vertrok vrijwillig omdat hij grote moeite had met de erfenis van de holocaust en met de manier waarop daar in Duitsland mee werd omgegaan. Exil en heimwee zijn centrale thema’s in zijn oeuvre, waarin hij de schijnbaar ‘echte’ levensverhalen documenteert van (half-)joden die verdreven zijn uit hun geboorteland. Nabokov verschijnt als personage in De Emigrés. Het is typerend voor Sebalds intermediale vertelstijl dat in de roman ook een foto van de schrijver is opgenomen om echtheid te suggereren. Nabokov lijkt hier vooral te fungeren als een esthetisch en moreel model van de kunstenaar emigré die met literatuur empathie kan opwekken voor de balling. Zijn aanwezigheid in Sebalds roman is onderdeel van het literaire spel met fictie en geschiedschrijving, dat versterkt wordt door de onduidelijke identiteit van de auteur-verteller-protagonist. Zoals in een eerder Armada-nummer over Sebald[1] is te lezen, is er behalve lof voor zijn werk ook kritiek op de ‘valse authenticiteit’ waarmee hij de schijn wekt getuige te zijn van de tragedie van joodse migranten die op drift zijn geraakt en voor altijd thuisloos zijn geworden. In dit Armada-dossier gaat Anna Seidl in haar essay over Sebalds literaire exil verder in op de ethische dimensie van dit herinneringsproject.

Het verlies van een thuis hangt vaak nauw samen met de verbroken binding met de moedertaal. Het probleem van de taal is op bijzondere wijze uitgediept in de autobiografie van de Pools-Joodse schrijfster Eva Hoffman, die Krákow eind jaren vijftig als dertienjarige verliet en eerst in Canada ging wonen, later in de Verenigde Staten. Lost in Translation. Life in a New Language (1989), dat sterk beïnvloed is door het poststructuralistische denken, beschrijft het gevoel van zelfverlies. De klanken van het Engels zijn voor Hoffman zo anders dan die van haar moedertaal dat de taal niet meer correspondeert met de wereld die ze kende. In de nieuwe taal moet ze ook zichzelf opnieuw uitvinden. Interessant is dat Hoffman andere migrantenverhalen leest in haar zoektocht naar een nieuwe identiteit. Nabokov komt aan bod, maar dan vooral om zijn poëtische verbeelding van zijn vaderland. Belangrijk is ook The Promised Land (1912) van Mary Antin, een typisch Amerikaans succesverhaal van opwaartse mobiliteit (from rags to riches). Hoewel Hoffman de crisis van zelfvervreemding centraal stelt, is ook haar verhaal dat van een geslaagde migrant. Het feit dat ze haar autobiografie in het Engels schrijft, is in zekere zin het ultieme bewijs van haar culturele inburgering: ze heeft haar stem gevonden.

Taal van de kolonisator

De thematiek van taal en culturele identiteit heeft bij sommige auteurs ook een politieke dimensie. Dat wordt bij uitstek geïllustreerd in het oeuvre van schrijfster en dichteres Etel Adnan, een exil uit Libanon, die van Beirut vertrok naar Parijs, daar aan de Sorbonne studeerde en zich vervolgens, na de Tweede Wereldoorlog, vestigde in Californië. In haar essay ‘To Write in a Foreign Language’ (1984) legt ze uit hoe belangrijk taal is voor haar schrijverschap. Als kind sprak ze Turks en Grieks, maar ze leerde lezen en schrijven in het Frans, omdat Libanon in die tijd een mandaatgebied van Franrijk was. Als de taal van cultuur werd Frans als superieur aan het Arabisch gezien, stelt Adnan. Veel later in haar leven, in de tijd van de Algerijnse kwestie, voelde ze weerzin om zich uit te drukken in het Frans, dat ze nu als de taal van de kolonisator zag. Hoewel ze na verloop van tijd weer op het Frans terugvalt, beheerst ze het Engels steeds beter. Ze begon te leven in die taal en ging Engelstalige gedichten schrijven. ‘People are deeply rooted in language and they transcend language’, schrijft ze.[2]

Voor Adnan is de Franse taal en cultuur echter een blijvende referentie. In het essay ‘Paris when it’s naked’ (1993) bespreekt ze het mythische beeld van Parijs als het hart van de Europese en (post)koloniale sfeer. De stad van Baudelaire en de stad van Sartre is al eeuwen het symbool van schoonheid, van kunst en literatuur. Tegelijk is het een centrum van koloniale macht, waar politieke en culturele overheersing hand in hand gaan. Mede door de naoorlogse migratie uit de koloniën is Parijs een echte migrantenstad waar mensen van allerlei culturen wonen en werken. Zoals Guido Snel in zijn essay over Adnan laat zien, is de actualiteit dichtbij in haar literaire beschouwingen over de nieuwe postkoloniale wereldorde, waarin Parijs als centrum van de macht machteloos lijkt en Europa, mondiaal gezien, centrum en periferie tegelijk is.

In een gecentraliseerd land als Frankrijk is een sterk onderscheid tussen het centrum Parijs en de periferie van de banlieues, de buitenwijken van de stad waar veel migranten wonen. In de roman Les belles âmes van de schrijfster Lydie Salvayre, door Jeanne Hoelierhoek in het Nederlands vertaald als Nobele zielen, wordt de problematiek van de banlieues aan de orde gesteld. Ze beschrijft daarin hoe een groepje welgestelde Fransen een busreis maakt langs arme buitenwijken alsof het exotische oorden zijn; ze beginnen in een Parijse banlieue en reizen dan door naar Brussel, Keulen, Berlijn, Vivegano en Turijn. Sabine van Wesemael analyseert deze roman van Salvayre, die zelf opgroeide in een Spaans migrantengezin in Frankrijk. Een belangrijk thema is de hypocrisie van de hogere klasse die met een superieure blik naar de kansarme migranten in de samenleving kijkt. De menslievendheid en het mededogen waarvan zij blijk geven is politiek correct, maar niet oprecht. De schrijver in het gezelschap is bijvoorbeeld alleen geïnteresseerd in de beschamende misère van Europa omdat een boek daarover goed verkoopt. Salvayres engagement spreekt ook uit de poging om het verhaal te vertolken van Olympia, die als zeventienjarige vanuit Guadeloupe naar Parijs kwam met haar moeder. Zij staat symbool voor de laagopgeleide, kansarme migrantenvrouwen wier verhalen vaak niet gehoord worden omdat ze zich niet kunnen uitdrukken in de taal van de elite.

‘Leve de ontworteling’

Er is al enkele decennia veel belangstelling voor de (postkoloniale) literatuur over migratie naar Europa, waarin de stem van de migrant hoorbaar is. Denk aan V.S. Naipaul, Salman Rushdie en Tahar Ben Jelloun. In het Nederlandse taalgebied zijn Kader Abdolah, Abdelkader Benali, Hafid Bouazza enkele voorbeelden van auteurs die wel tot de ‘migrantenliteratuur’ worden gerekend. Dit label wordt in de literatuurwetenschap dikwijls gebruikt, maar door schrijvers vaak gehekeld. Met name Bouazza, die geboren is in Marokko en als kind met zijn ouders naar Nederland emigreerde, weigert ingedeeld te worden bij een aparte categorie van immigranten of allochtonenschrijvers. Hij schrijft in het Nederlands, niet in het ‘allochtoons’, merkt Bouazza op in Een beer in bontjas (2001). Dit essay is een hartstochtelijk pleidooi voor de grenzeloze verbeelding van de schrijver die niet gebonden is aan cultuur of nationaliteit: ‘Leve de ontworteling! Leve de thuisloosheid! Leve de ongebondenheid! Leve de verbeelding!’.[3]

Interessant is dat de auteur in zijn verhalen speelt met de verwachtingen en vooroordelen van de lezer die het werk van een ‘migrantenauteur’ ter hand neemt. Zoals Henriette Louwerse mooi heeft laten zien in haar werk over Bouazza, misleidt hij de lezer voortdurend door culturele clichés over de Arabische cultuur op te voeren die hij zo dik aanzet dat hij ze uiteindelijk ondermijnt en de lezer ‘bij de neus neemt’.[4] In dat opzicht doet zijn vertelprocédé terugdenken aan het meesterlijke spel dat Nabokov met de lezer van Pnin speelt. In dit Armada-dossier schrijft Alexa Stoicescu over Meriswin, Bouazza’s laatste roman uit 2014, waarin het gaat om de ‘geestelijke’ migratie van de realiteit naar de verbeelding en de vertelkunst.

Ook Rodaan Al Galidi, geboren in Irak, schrijft in het Nederlands. Recent oogstte hij veel lof met zijn boek Hoe ik talent voor het leven kreeg (2016). Al Galidi verbleef negen jaar in een asielzoekerscentrum in Nederland. Terwijl hij wachtte op een verblijfsvergunning leerde hij zichzelf Nederlands. Het boek is een fictioneel verhaal dat niettemin gebaseerd is op zijn persoonlijke ervaringen, zo staat in het voorwoord: ‘Misschien zal mij gevraagd worden of dit mijn verhaal is. Dan zeg ik: nee. Maar als mij gevraagd wordt: Is dit ook jouw verhaal? zeg ik volmondig: ja. Dit boek is fictie voor iemand die het niet kan geloven, maar non-fictie voor iemand die ervoor open staat. Of nee, laat dit boek non-fictie zijn, zodat de wereld waarin ik jarenlang heb moeten verblijven, verandert van fictie in non-fictie.’

Voor de lezer die in de discussie meestal het perspectief ziet van Nederland als ‘gastland’ geeft deze roman een ontluisterende beschrijving van de asielprocedures. Het lot van de asielzoeker wordt in sterke mate bepaald door ‘gehoren’ waarbij allerlei culturele miscommunicaties, om niet te zeggen misstanden, optreden. Het onbegrip, de wanhoop en woede die dat soms oplevert wordt door de vertelling goed inzichtelijk gemaakt. Hoewel sommige passages ronduit bitter gestemd zijn, ontbreekt het niet aan humor in deze roman. Het eindeloze wachten op een bericht van de IND wordt door de verteller ironisch genoeg onderstreept door de herhaalde opmerkingen dat hij de lezer niet te veel wil vermoeien met zijn lange uitweidingen, ze zouden veel teveel tijd in beslag nemen.

Dezelfde ironie laat zich aanwijzen in Al Galidi’s dichtbundel Koelkastlicht. Vijf gedichten uit die bundel zijn te lezen in dit Armada-dossier: ‘achthonderdzestig’, ‘vergadering’, ‘poging om weg te gaan’, ‘advertentie’ en ‘Ik de dichter’. Of het nu poëzie of proza is, zijn taal is ‘kort, krachtig en direct’, zoals de Nederlandse lezer het graag wil, zo stelt Al Galidi niet helemaal zonder spot in een interview met NRC Handelsblad.[5] (19 januari 2016).

Bloemrijk

De schrijver die een publiek wil vinden in zijn nieuwe vaderland moet zich niet alleen de taal eigen maken, maar ook aansluiten bij de heersende smaak en conventies van het publiek. Daarmee worstelde ook de schrijfster en columniste Ferdows Kazemi, die uit Iran vluchtte en in Nederland zo snel mogelijk de taal wilde leren. De Nederlandse romans die ze las leken in niets op de bloemrijke literatuur die zij uit haar geboorteland kende. Hoe zij, geïnspireerd door Arthur Japin, uiteindelijk haar vorm vond vertelt zij in haar column ‘Een leven in taal’.

Juan Heinsohn Huala, die in 1979 vanuit Chili naar Nederland kwam als politieke vluchteling, moest eveneens wennen aan de Nederlandse taal. Aanvankelijk schreef hij in het Spaans, later in het Nederlands, omdat hij ook de Nederlandse lezer wilde bereiken. ‘Schrijven in de Nederlandse taal levert andere gedichten op,’ zei hij in een interview.[6] Zijn stijl is vooral zakelijk en bondig. Verblijf op papier is zijn eerste poëziebundel uit 2009. Heinsohn, die niet alleen dichter maar ook beeldend kunstenaar is, gebruikt soms liever kleuren en vormen om uiting te geven aan zijn (zoektocht naar) identiteit; een aantal van zijn schilderijen is dan ook afgebeeld bij de gedichten die hij in dit Armada-dossier publiceert.

Poëzie is er ook van Baban Kirkuki, dichter en schrijver, in 1999 gevlucht uit Iraaks Koerdistan. Sinds hij in 2006 debuteerde met de dichtbundel Op weg naar Ararat verschenen diverse bundels van zijn hand. De gedichten ‘Een nest van vrijheid’ en ‘Wil je teruggaan?’ zijn afkomstig uit Territorium (2011) en worden hier nieuw opnieuw afgedrukt. De typische gespletenheid van de migrant is een centraal thema in zijn poëzie: ‘Ik schommel in twee werelden/ de ene waarin ik nu leef/ de andere in mijn dromen’, schrijft hij. Kirkuki is een geëngageerd dichter die, mede door zijn lidmaatschap van het Utrechtse stadsdichtersgilde, actief betrokken is bij diverse culturele projecten waarin de ervaring van vluchtelingen met literaire middelen voorstelbaar wordt gemaakt.

Kirkuki, Kazemi en Heinsohn, die misschien bevoorrecht zijn omdat zij een uitdrukkingsvorm in de taal van het nieuwe land hebben gevonden, spannen zich ook in om de verhalen vast te leggen van migranten en vluchtelingen die wel een verhaal hebben maar niet de gave van het woord. Alle drie de schrijvers zijn verbonden aan het Oral History-project Ongekend Bijzonder van de Stichting BMP dat in 2013 van start is gegaan en loopt tot 2017, waarbij meer dan tweehonderd vluchtelingen in Nederland geïnterviewd worden die de afgelopen veertig jaar hun land van geboorte noodgedwongen verlieten. Als veldwerkers hebben Heinsohn, Kazemi en Kirkuki interviews afgenomen om de levensverhalen van deze vluchtelingen te verzamelen en in beeld te brengen hoe zij in Nederland een nieuw leven hebben opgebouwd. Deze verhalen vormen de basis van tientallen artistieke producties die tussen april en juni 2016 aan het grote publiek gepresenteerd worden. Zie de website van het project: https://ongekendbijzonder.nl/.

‘Beloofde land’

Het moge duidelijk zijn: literatuur getuigt van het feit dat migratie er altijd geweest is, binnen Europa, vanuit Europa en naar Europa. Door de eeuwen heen zijn mensen de grenzen van hun geboorteland overgegaan om zich in een ander land te vestigen, om politieke of economische redenen.

Veel thema’s die vandaag de dag actueel zijn keren steeds weer terug in literatuur: het verlangen naar een beter leven in ‘het beloofde land’, de inburgering en de confrontatie tussen culturen, die gepaard gaat met misvattingen en onbegrip en, tot slot, de creativiteit in de zoektocht naar een nieuwe identiteit. De taal is vaak een barrière voor nieuwkomers, maar kan evengoed een creatief potentieel zijn, zoals ook migratie de verbeelding kan verruimen. In de literatuur over migratie wordt vaak aangesloten bij bestaande verhalen over grensoverschrijdingen uit de klassieke en moderne literatuur, uit de oosterse en westerse traditie. Bij de ene auteur gaat die intertekstualiteit om culturele identificatie of menselijke herkenning, bij een andere is het uitdrukking van een literaire inspiratie en bij weer een andere dient het als commentaar op het schrijven over migratie.

Anders dan de actuele maatschappelijke discussie, die soms al te eenzijdig gericht is op de uitruil en verspreiding van de grote aantallen vluchtelingen over Europa, laat literatuur iets zien van wat migratie en ballingschap voor de individuele mens betekent. Door het gebruik van ironie, satire en andere stijlmiddelen en technieken kunnen literaire teksten een genuanceerder inzicht bieden in de complexiteit van migratie, inburgering en assimilatie. Lezen maakt het mogelijk je te verplaatsen in een ander, je te verwonderen en te laten nadenken over je eigen vooringenomenheid. Want literatuur die de verbeeldingskracht aanspreekt stelt ook de lezer in staat om de grens over te gaan.

Noten

[1] Armada nr. 40, 2005 ‘W.G. Sebald en de poëtica van de herinnering’.

[2] Adnan, Etel, ‘To Write in a Foreign Language’, in Unheard Words, October 1984.Later gepubliceerd in: Mineke Schipper, Unheard Words. Women and Literature in Africa, the Arab world, Asia, the Caribbean and Latin-America, London, New York: Allison and Busby 1985.

[3] Bouazza, Hafid, Een beer in bontjas. Autobiografische beschouwingen. Amsterdam: Prometheus 2001, p.61.

[4] Louwerse, Henriette, ‘Persoonlijk universum. Hafid Bouazza onttrekt zich aan de code’ In: J. Goud (red.), Ontworteld. De schrijver als nomade, Zoetermeer: Klement, 20015, p.91. Zie ook Henriette Louwerse, Homeless Entertainment. On Hafid Bouazza’s Literary Writing, Oxford [etc]: Peter Lang 2007.

[5] Interview met Rodaan Al Galidi, ‘Ik heb van Nederlanders geleerd: ‘houd het kort’. NRC Handelsblad 19 januari 2016. Tekst: Toef Jaeger.

[6] Interview met Juan Heinsohn door Sylvia Sebregts en Herman Divendal, ter gelegenheid van ‘Eenmaal Andermaal voor Gaza’, juni 2013 in Rotterdam.

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s