Aeneas migreert

Armada-redacteur en dichter Mieke van Zonneveld blogt over poëzie. In deze vierde aflevering uit haar serie ‘In afgemeten regels’ schrijft ze over Aeneas.

Terwijl Europa een ballingsoord is voor honderdduizenden vluchtelingen, lees ik met mijn leerlingen over de lotgevallen van Aeneas. Toen Vergilius in 29 v.Chr. aan de Aeneis begon, was Syrië een Romeinse provincie, ging men elkaar te lijf met zwaarden en speren in plaats van bommen en drones en had niemand nog van Mohammed gehoord, laat staan van soennieten en sjiieten. Syrië zou eerst nog bezocht worden door de zeloot Paulus, wiens plan om de christenen uit te roeien vlak bij Damascus werd gedwarsboomd en miraculeus getransformeerd tot precies het tegenovergestelde.

Het besef dat iets waarin je heilig gelooft in de loop van de geschiedenis ontstaan is, gewoon op bijvoorbeeld een dinsdag in maart, is minstens ongemakkelijk. Het gaat onherroepelijk gepaard met de gedachte dat er vóór die dinsdag volksstammen moeten hebben geleefd die zich aan jouw heilige geloof niets gelegen lieten liggen en daar geen last van hadden. Geen wonder dus dat menig religieus of politiek leider naar wortels zoekt in een ver verleden: de legitimiteit van een ideologie lijkt recht evenredig met haar ouderdom.

Ook keizer Augustus was zich ervan bewust dat zijn heerschappij, om duurzaam te zijn, beschouwd moest worden als eigenlijk heel oud. Hier verschijnt Vergilius op het toneel. Hij brengt de geschiedenis van Rome en het keizerschap van Augustus in verband met Troje en de legendarische held Aeneas, in een epos dat vervolgens meer dan anderhalf millennium gegolden heeft als onovertroffen meesterwerk.

Mijn eerste kennismaking met Aeneas was desalniettemin niet zo indrukwekkend. Ik vond zijn pietas (‘plichtsgetrouwheid’) vervelend in vergelijking met de hartstocht van Catullus en Ovidius. Ook nam ik hem kwalijk dat hij Dido, die tenminste wel in staat was tot ‘echte liefde’, in de steek laat. [Overigens leek mijn beeld van Dido meer op de verchristelijkte vrouw die Purcell presenteert in zijn Dido and Aeneas, iemand die zelfs in de grootste smart nog tot altruïsme in staat is: ‘When I am laid, am laid in earth,/ may my wrongs create/ no trouble in thy breast.’ De Dido van Vergilius spreekt andere taal: ‘’k Had zijn lijf aan stukken moeten snijden en/ verstrooien over zee, zijn vrienden, zelfs Ascanius/ vermoorden en als maaltijd aan de vader presenteren!’]

Hartstochtelijke ontboezemingen en verwijten kunnen inderdaad prachtig zijn, vooral als ze gevangen zijn in een strakke vorm of een treffend beeld. Neem deze slotregels van carmen 11 van Catullus – waarschijnlijk zijn op een na bekendste gedicht. Zijn Lesbia laat hem links liggen terwijl ze het aanlegt met andere mannen en Catullus geeft het op. ‘Laat haar maar leven en plezier maken met haar driehonderd minnaars van wie zij er niet een echt liefheeft, maar die ze allemaal de lendenen breekt,’ zegt hij. ‘En ze hoeft niet meer, zoals vroeger, om te zien naar mijn liefde, die door haar schuld gesneuveld is, zoals een bloem aan de rand van de weide, nadat die geraakt is door een voorbijgaande ploeg.’ (‘Nec meum respectet, ut ante, amorem/ qui illius culpa cecidit velut prati/ ultimi flos, preater eunte postquam/ tactus aratrost.’) De nietigheid van die bloem aan de uiterste rand van het veld, de logge lompheid van de ploeg, de totale achteloosheid van het woord ‘geraakt’ (in plaats van bijvoorbeeld geveld), dat en meer maakt deze regels buitengewoon prachtig. Het effect wordt nog versterkt als je eerst alle voorgaande liefdesgedichten leest en merkt wat een krachtsinspanning het Catullus gekost moet hebben die liefde op te geven.[*]

Dat laatste geldt ook voor de Aeneis. Nu ik het epos herlees, valt me eigenlijk voor het eerst op wat voor vreselijke dingen Aeneas meemaakt. De status quo aan het slot van boek twee: zijn geliefde Troje is ingenomen door de Grieken en staat in brand, Creüsa, zijn vrouw, is omgekomen tijdens de vlucht en nu verzamelt zich een ontredderde menigte vluchtelingen aan de kust, klaar om onder zijn leiding in ballingschap te gaan.

 

Sic demum socios consumpta nocte reviso.

Atque hic ingentem comitum adfluxisse novorum

invenio admirans numerum, matresque virosque,

collectam exsilio pubem, miserabile vulgus.

Undique convenere animis opibusque parati

in quascumque velim pelago deducere terras.

Iamque iugis summae surgebat Lucifer Idae

ducebatque diem, Danaique obsessa tenebant

limina portarum, nec spes opis ulla dabatur.

Cessi et sublato montis genitore petivi.

d’Hane-Scheltema vertaalt deze passage zo:

 

Zo kom ik dan, laat in de nacht, weer bij mijn tochtgenoten.

Tot mijn verbazing merk ik dat een grote menigte

van nieuwe vluchtelingen daar is toegestroomd, van mannen

én vrouwen, triest maar krachtig volk, vereend in ballingschap,

en overal vandaan, beladen met bezit én wilskracht

om mij te volgen over zee naar welk land ik maar wil.

Ook Lucifer verrijst al boven Ida’s hoge bergkam

en brengt de dag aan. Trojes poortgebouwen zijn

nu in ’t bezit van Grieken; hoop op hulp is uitgesloten.

Ik ben gegaan, het bergland in, mijn vader op de rug.

In dat ene woord cessi (‘ik ben vertrokken’) zit, geloof ik, evenveel verslagenheid als er woede huist in Dido’s hak- en kookfantasie. En dat nec spes opis ulla dabatur (letterlijk: ‘geen enkele hoop op hulp werd gegeven’) roept precies het vergeefse verlangen naar hoop op dat Aeneas en de andere vluchtelingen bezielt: ze wachten op een wonder waar ze niet in geloven. Je hoort ze denken, tegen beter weten in: hebben we alles overwogen? Is er een terugweg of is dit het begin van een levenslang heimwee? En het antwoord komt dan als een mokerslag: ‘cessi’, een resolute afrekening met elke hoop, vergelijkbaar met Catullus’ ‘Nec meum respectet, ut ante, amorem’.

De Aeneis is, behalve propaganda voor keizer Augustus, een verhaal over het verlangen ergens thuis te zijn, en dat verlangen kan, bij nader inzien, behoorlijk hartstochtelijk zijn. Aangekomen op Delos smeekt Aeneas: ‘Da propriam, Thymbraee, domum […] et mansuram urbem.’ (Apollo, geef ons een eigen huis en stad die blijvend zal zijn [i.e. die niet verwoest zal worden].) Deze bede, tweeduizend jaar geleden neergeschreven, zal de honderdduizenden vluchtelingen die nu op asiel wachten niet vreemd zijn.

 

[*] De gedichten zijn niet chronologisch geordend, dus het is even zoeken. Over de moeilijkheid van dat opgeven zegt Catullus letterlijk: ‘difficilest longum subito deponere amorem’ (Carmen 76).

__________________________

Het verhaal van Aeneas - d'Hane-Scheltema

Publius Vergilius Maro, Het verhaal van Aeneas (Aeneis)

Vertaald uit het Latijn door M. d’Hane-Scheltema

Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2008

ISBN: 9789025363710

365 pagina’s

Klik hier voor de heruitgave uit 2012 (paperback).

Klik hier voor het E-book.

Schilderij: Pompeo Batoni, Aeneas vluchtend uit Troje, 1753.

2 gedachten over “Aeneas migreert”

  1. Inspirerend verhaal, en mooi geduid. Ik ben in de regel meer een Homerus-adept, maar Vergilius voelt dan weer iets persoonlijker en intiemer. Waar H. de zang van de goden zingt, geeft V. het perspectief van de gewone (zij het buitengewoon begaafde) sterveling. Dank!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s