‘Du mußt dein Leben ändern.’

Armada-redacteur en dichter Mieke van Zonneveld blogt over poëzie. In deze derde aflevering uit haar serie ‘In afgemeten regels’ schrijft ze over het gedicht ‘Archaïscher Torso Apollos’ van Rilke.

Dit is misschien, na ‘Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr’, de bekendste regel van Rainer Maria Rilke. Hij schiet mij, zo losgezongen van zijn context, in de meest uiteenlopende situaties te binnen, alsof er een existentialistisch engeltje (of duiveltje) op mijn schouder zit. Het is een wonderlijke regel: tegelijkertijd een streng gebod én een bevestiging van je autoriteit; een gebod vanwege dat ‘mußt’ natuurlijk en een bevestiging van je autoriteit vanwege de macht die je verondersteld wordt te hebben over je leven. ‘Du’ staat in ‘dein Leben’ als een auteur: hij kan zijn script herschrijven.

 

ARCHAÏSCHER TORSO APOLLOS

Wir kannten nicht sein unerhörtes Haupt,
darin die Augenäpfel reiften. Aber
sein Torso glüht noch wie ein Kandelaber,
in dem sein Schauen, nur zurückgeschraubt,

sich hält und glänzt. Sonst könnte nicht der Bug
der Brust dich blenden, und im leisen Drehen
der Lenden könnte nicht ein Lächeln gehen
zu jener Mitte, die die Zeugung trug.

Sonst stünde dieser Stein entstellt und kurz
unter der Schultern durchsichtigem Sturz
und flimmerte nicht so wie Raubtierfelle;

und bräche nicht aus allen seinen Rändern
aus wie ein Stern: denn da ist keine Stelle,
die dich nicht sieht. Du mußt dein Leben ändern.

 

Toch is er in dit gedicht volgens mij nu juist geen sprake van zulke vrijheid. Alle macht lijkt te liggen bij het enige andere ‘personage’ in het gedicht: de torso van Apollo. Deze heeft de macht te ‘blenden’, heeft een ‘Raubtierfelle’ en is in staat te ‘bräche […] aus allen seinen Rändern’. Bovendien is hij alziend.

Ik bezit een prachtige vertaling van de Nieuwe gedichten. Het andere deel door Peter Verstegen (in de Perpetua-reeks van Athenaeum–Polak & Van Gennep, Amsterdam 2010), waaruit ik citeer:

 

ARCHAÏSCHE APOLLOTORSO

Wij zagen nooit zijn ongekend gezicht,
de oogappels die daarin rijpten. Maar
zijn torso gloeit nog als een kandelaar,
waarin zijn blik, met een getemperd licht,

nog glanzen blijft. Anders zou jou de boeg
der borstkas niet verblinden, en in ’t zacht
draaien der lendenen was niet die lach
naar ’t midden toe dat het geslachtsdeel droeg.

Anders stond deze steen geknot, beschadigd,
in zijn doorschijnende schoudercascade,
en zou niet glinsteren als roofdierhuid,

en zou niet als een ster losbreken uit
zijn vorm: geen plek aan hem die jou niet ziet.
Zo doorgaan met je leven kun je niet.

 

Achter in de bundel geeft Verstegen een commentaar op elk gedicht. Het zijn (gelukkig) geen exegeses. Hij licht soms vertaalstappen toe en geeft wat context aan de gedichten. Zo weet hij te vertellen welke torso Rilke bezingt: het zou gaan om een sculptuur uit de 6de eeuw v.Chr., namelijk de torso van Milete. Volgens de website van het Louvre, waar de torso woont, is hij pas omstreeks 480 v.Chr. gebeeldhouwd, maar voor het gedicht maakt dat niet veel uit. Het is onwaarschijnlijk dat het beeld Apollo moest voorstellen, maar Rilke heeft er deze god van onder meer licht en kunst in willen zien. Het is een mooi ding. In het echt moet er een imponerende kracht van uitgaan, ondanks of dankzij het ontbreken van allerlei ledematen.

Torso Milete foto H. Lewandowski

Het is met beelden net als met poëzie: je moet leren zien. Rilke leerde beelden zien van zijn vriend Auguste Rodin, die zelf zo meesterlijk lichamen uit marmer sloeg, dat je je moeilijk een betere leermeester kunt voorstellen. Het zien van schoonheid lijkt Rilke in dit gedicht gethematiseerd te hebben. Zoals Rodin hem instrueerde, zo wijst Rilke zijn lezer hier op het licht dat van dit beeld uitgaat. Na lezing van het gedicht kijk je niet meer hetzelfde naar de torso. Hij lijkt nieuw. Het is echter duidelijk dat niet de torso, maar het kijken ernaar vernieuwd is. De beschouwer wordt veranderd door de schoonheidservaring, alsof er schellen van zijn ogen vallen. ‘Doorgaan met je leven’, met hetzelfde leven, namelijk dat van iemand die in de torso een beschadigde steen ziet en niet verblind raakt door zijn licht, dát leven voortzetten is een onmogelijkheid.

En dan te bedenken dat het hier alleen nog maar om Apollo’s torso gaat ‘waarin zijn blik, met een getemperd licht’ glanst. Het is duidelijk dat we steil achterover zouden slaan als we hem wel in de ogen konden zien. In ‘Vroege Apollo’, waarmee het eerste deel van de Nieuwe gedichten aanvangt, staat dan ook: er is ‘in zijn gezicht/ niets dat beletten kon dat elk gedicht// ons haast fataal zou raken met zijn glans’. Je kunt dat lezen als een waarschuwing of als een aansporing. Ik bedoel: wie wil niet in zulke ogen kijken?

Rilke beschrijft een ervaring die mij doet denken aan wat Stendhal kristallisatie noemt: als we verliefd zijn, versieren we onze geliefde met alle denkbare innerlijke en uiterlijke schoonheid. We ontwaren een licht in die ander en hebben meestal niet in de gaten dat we dat licht zelf naar binnen kijken met onze blik. Zo is het ook met deze torso: voor de nuchtere, registrerende toeschouwer is het een beschadigd standbeeld, interessant vanwege zijn ouderdom en zijn typisch vroeg-klassieke houding bijvoorbeeld. Maar voor wie er echt door gegrepen wordt, krijgt hetzelfde beeld de macht te verblinden en een leven te veranderen.

Hoe dat ‘gegrepen worden’ precies in zijn werk gaat is een mysterie en moet dat ook maar blijven. Net als dit gedicht van Rilke. Wat de ‘jij’ aan zijn leven moet veranderen en hoe die opdracht uit het zien van de torso volgt, is niet zonder meer duidelijk, en juist dankzij die onduidelijkheid roept Rilke als het ware een ervaring op die iedereen kent: overrompeling die zich niet laat narekenen of tegenhouden.

En er is nog iets aan de hand. Elke zeer indrukwekkende schoonheidservaring heeft iets tirannieks. De dichter kan nog zo geënthousiasmeerd raken, het door hem bezielde object, in dit geval de torso, heeft hem niet nodig. En dat niet alleen: het elimineert hem ook een beetje. Opgaan in iets is een vorm van (tijdelijk) verdwijnen. Die torso morrelt aan het levensscript van zijn beschouwer en blijft zelf onaangedaan staan in het Louvre. En zo is het misschien met elke inspiratie. Zoals Rilke het via Verstegen zegt in ‘De dichter’:

Een liefste, een huis ontbreken mij,
ik mis een plek om te leven.
Als ik mij aan iets heb gegeven,
wordt het rijk en besteedt het mij.

____________________

Nieuwe Gedichten Rilke

Rainer Maria Rilke, Nieuwe Gedichten (Neue Gedichte), vertaald uit het Duits door Peter Verstegen. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2010. ISBN: 9789025367138, 394 pagina’s.

Portret Rilke: fotograaf onbekend

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s