Ge- en ongeloof

Armada-redacteur en dichter Mieke van Zonneveld blogt over poëzie. In deze tweede aflevering uit haar serie ‘In afgemeten regels’ schrijft ze over (on)geloof en een gedicht van Martinus Nijhoff.

Mijn vader heeft er een handje van opmerkelijke uitdrukkingen van voormalige kerkgenoten te pas en te onpas te herhalen. Meestal gaat het om kleine taalkundige, en naar ik op den duur gemerkt heb typisch christelijke, aberraties. Zo voegt hij het hulpwerkwoord ‘mogen’, dat de diensdoende koster ’s zondags gebruikte als bescheidenheidformule in zinnen als: ‘we zijn dankbaar dat we hier weer mogen zijn’, of ‘kunnen’ in gebeden als: ‘we zijn weer dankbaar, Heer, dat wij hier kunnen zijn’ spottend toe aan alledaagse opmerkingen. Hij was bijvoorbeeld blij dat hij de vaat had ‘kunnen doen’ of in de stromende regen mijn band had ‘mogen plakken’.

Ook bijbelse formuleringen zet hij met soms sardonisch plezier naar zijn hand. Vindt hij dat mijn moeder zeurt, dan zegt hij dit nooit rechtstreeks, maar vraagt bijvoorbeeld quasionderdanig of het een of ander ‘in haar raad kan bestaan’. Kwam ik vroeger te laat en aangeschoten thuis van een schoolfeest, dan vroeg hij: ‘Vanwaar Gehazi?’, wat ik langs etymologische dwaalwegen vertaalde tot: Vanwaar haast ge u? Moesten mijn moeder en ik ergens op hem wachten, dan citeerde hij Abraham: ‘Blijft gij hier met de ezel.’

Zo heeft hij het ook weleens over ge- en ongelovigen, meestal als bijkomstigheid. Hij vertelt bijvoorbeeld dat hij zowel christelijke als heidense muziek opgeeft aan het koor dat hij dirigeert omdat dit bestaat uit ge- en ongelovigen. Het is een onjuiste samentrekking, dat weet hij natuurlijk ook wel. Het weglatingsstreepje suggereert dat er zoiets bestaat als geongelovigen. Maar ‘gelovigen en ongelovigen’ is een mondvol en on- en gelovigen is helemaal akelig. Men kan beter zondigen tegen de grammatica dan tegen goede smaak, moet mijn vader gedacht hebben en zo kwam het dat het godvrezende deel der mensheid voortaan werd samengevat in categorie ‘ge’.

Het is de vraag of de mensheid eigenlijk wel past binnen deze twee categorieën. Er zijn allerlei andere verdelingen mogelijk, bijvoorbeeld op basis van kleur, sekse, IQ, dentuur, taal enzovoort. Dit zou problemen kunnen opleveren: er zijn immers ook transgenders en als men op dinsdag vooraf een banaan eet komt men met een hoger IQ uit de test dan op donderdag, als de bananen op zijn. Toch denk ik dat het nog veel meer problemen zal opleveren om de mensheid in te delen volgens hun (on)geloof. Ten eerste omdat het misschien tot het einde der tijden onduidelijk zal blijven wat geloof nu eigenlijk is. Ten tweede omdat we een meetlat langs gelovigheid zouden moeten leggen en een norm bepalen: als iemand meer dan 70 procent van de dogma’s beaamt, hoort hij gezellig bij ‘ge’. En ten derde omdat vermoedelijk een groot deel van de mensheid al of niet bewust schippert tussen ge- en ongeloof.

Frans Kellendonk probeerde zich ervan af te maken door zichzelf nu eens een gelovige ongelovige te noemen en dan weer een ongelovige gelovige. Je kunt dat een omissie vinden, maar het doet wel recht aan een gevoel van fundamentele onbeslisbaarheid, die, denk ik, voortkomt uit de schizofrenie van de geseculariseerde mens. Met schizofrenie bedoel ik dan niet de psychische aandoening waarvan niemand schijnt te weten wat het is, maar wat het letterlijk betekent: gespletenheid.

Misschien is het een particuliere obsessie, maar ik heb iets met gedichten die deze gespletenheid thematiseren. Een voorbeeld is ‘Reiziger “doet” Golgotha’ van Gerrit Achterberg. De slotregel van het tweede gedicht luidt: ‘men late zich geen knol voor een citroen verkopen’, maar de cyclus eindigt met de bede: ‘Christus, wil mij verschijnen aan den einder.’ Of Marjoleine de Vos die haar alter ego mevrouw Despina laat converseren met Meister Eckhart: ‘Daar is de vrede niet zegt hij, laat los/ Hij is nabij. Maar ik zo ver, zegt zij, ik ben/ steeds meer onzichtbaar, zelfs voor mij.’ Of ‘Grijze zee’ van Ida Gerhardt, die waarschijnlijk niet eens ge- of ongelovig bedoeld is:

De zee trekt langzaam dicht

in regen en in mist.

Mijn hart trekt langzaam dicht

in grijze mist en regen.

Er zijn tot u geen wegen,

tot u.

Zo is het wel zo’n beetje. Wie met een been in de geseculariseerde wereld staat en met het andere door God gewilde been op een door God geschapen pad, komt nu eens op de wereldse en dan weer op de goddelijke weg slecht vooruit, hij wordt naast-de-weggebruiker, een toeschouwer. Of zoals Martinus Nijhoff het tekent in ‘Het vrome kasteel’:

Het dak van het kasteel steekt uit

Boven de heesters en seringen.

Daarbinnen bij viool en luit

De blonde knapen zingen.

Ze hebben witte kleren aan

Met bont bestikte zoomen,

Ze hebben lang en gouden haar,

Eng’len in kinderdroomen.

Ze zingen allen uit één boek,

Eén houdt het opgeheven:

‘God heeft voor ons zijn hartebloed,

Zijn hartebloed gegeven.’

Guitaren, luiten en viool

Waren gedempt gestemd,

Alsof onder de stemmen school

Het accompagnement.

En ik, die dit gedicht verhaal,

Zat in de tuin daarbuiten,

Maar dikwijls keek ik in de zaal

Door de vierkante ruiten.

Dit gedicht bevat wat kitscherigheden: blonde knapen met lang en gouden haar als in engelendromen. Wie durft zoiets nu nog te schrijven? Ik moet bekennen dat ik het zelf wel mooi vind. Net als het gewijde van dat geheven boek en de directheid van het gezongene: ‘God heeft voor ons zijn hartebloed, zijn hartebloed gegeven’. Ook prachtig zijn de gedempt gestemde instrumenten, die, net als het gedicht zelf, muzikaal op uiterst beheerste wijze vorm geven aan een gevoel dat anders al gauw een pathetische indruk zou maken. En dan dat schijnbaar zo alledaagse slot met een tuin en vierkante ruiten. Wat gebeurt daar nu geheel en al? Een dichter zit in de tuin en hoort gezang, hij zit buiten en kijkt ‘dikwijls’ naar binnen. Ogen en oren dwalen telkens af naar het ritueel dat de jongens plechtig ten uitvoer brengen.

Stel je nu voor dat er nog iemand bij de dichter in de tuin zit die hem bijvoorbeeld iets vertelt over zijn aanstaande promotie. Die ander zou de dichter er dan beslist van betichten dat hij er niet bij is met zijn gedachten. Dat hij zich ‘in de geest’ in het kasteel bevindt. Niets in het gedicht wijst op zo’n ander, maar als de heesters en seringen konden spreken, zouden ze hetzelfde verwijt kunnen maken, alleen al op grond van de openingsregels: ‘het dak van het kasteel steekt uit/ boven de heesters en seringen’. Ook de lezer wordt onmiddellijk meegetrokken uit de tuin het kasteel in.

Ik bedoel alleen maar dat ik benieuwd ben wat de dichter zou antwoorden als iemand hem bij thuiskomst vroeg: vanwaar Gehazi? Mijn hypothese: hij gaat naar zijn kamer en schrijft dit gedicht.

____________________________

Foto: Bergh van boven: onbekend

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s