Laughter through tears. Wat Russische klassiekers en Russische dichter-bloggers (niet) delen

Download het essay van Ellen Rutten over Gogol en Rubinstein
Dossier Leve de Kleine Letteren: Russisch

In 1835 schreef Nikolaj Gogol ‘De koets’ (‘Koljaska’), een satirisch literair verhaal over tsaristisch Rusland. In 2015 hekelt dichter en journalist Lev Rubinstein in schertsende Facebook-posts het Rusland van Poetin. Beiden worstelen met wat hun collega Michail Sjisjkin omschrijft als ‘de “vervloekte” Russische vraag voor elke Rus, geboren in een imperium dat non-stop oorlog voert met buitenlanders en met zijn eigen volk: wat moet men met deze regering en dit volk, die non-stop deze oorlogen voeren?’ Russische schrijvers, zegt Sjisjkin, of ze nu deel uitmaakten van het Rusland van Poesjkin of leven in het land van Poetin, stellen steeds de vraag: hoe moet ik als professioneel auteur kijken naar de Russische overheid? Gogols verhaal en Rubinsteins posts zijn pogingen tot een repliek op diezelfde vraag. Die pogingen hebben het nodige met elkaar gemeen – maar op één cruciaal punt maken de auteurs een verschillende keus.

‘Rusland! Wat wil je van mij?’

Wat is Rusland, wie is haar bevolking, wie zijn haar leiders? Een beroemd antwoord op die vragen geeft Gogols roman Dode zielen (Mjortvye doesji, 1842). Hoofdpersoon Pavel Tsjitsjikov vergaart fictief vermogen door van landeigenaren ‘dode zielen’ – gestorven maar administratief nog niet afgeboekte lijfeigen boeren – te kopen, in een even grappig als gitzwart verhaal over negentiende-eeuws Rusland. ‘De koets’, dat een prelude voor Dode zielen wordt genoemd, is minder bekend, al nam uitgeverij Van Oorschot het verhaal toch op in Gogols Verzamelde werken. Gelukkig maar: het is misschien wel zijn mooiste korte verhaal.

Net als in Dode zielen mikt Gogol zijn spot in ‘De koets’ op landeigenaren en hoge rijksdienaren. Tijdens een diner in het ingeslapen provinciestadje B. pronkt een generaal op doorreis met zijn kloeke merrie. Landheer Pifagor Pifagorovitsj Tsjertokoetski (een klassiek krankjorume Gogol-naam) wil bewijzen dat hij nog een tree hoger staat op de sociale ladder en pocht over zijn imposante koets. Hij nodigt de generaal uit het rijtuig bij hem thuis te komen bewonderen. De volgende dag wekt Tsjertokoetski’s echtgenote de nog halfdronken landheer pas als de generaal cum suis al arriveren. Uit schaamte (spoiler alert) verstopt Tsjertokoetski zich in zijn in werkelijkheid allesbehalve imposante koets, waar de generaal hem ontdekt.

Gogol zou Gogol niet zijn als hij dit simpele relaas niet vormgaf als volmaakte vertelling. Een klassieke opbouw en setting (de verteller opent met een schilderachtige panoramablik op het stadje, zoomt dan in op twee levendige scènes bij de generaal en bij Tsjertokoetski, en het verhaal eindigt in een voorbeeldig spannende ontknoping); barokke taal (Tsjertokoetski wordt door zijn echtgenote geliefkoosd met poppekedotterige neologismen als poelpoeltik en monmoenja); en een sonoor leidmotief (Gogol illustreert de verstikkende sociale hiërarchie van het stadje met een duizelingwekkende diversiteit aan droschkes, calèches, brikken, sjezen ‘en koetsen die niemand in zijn stoutste dromen ooit heeft aanschouwd’): die combinatie is goed voor een verrukkelijk verhaal, dat tot de persoonlijke favorieten hoort van schrijvers als Dostojevski en Tsjechov. ‘Wat een schrijver!’ schreef die laatste over Gogol, ‘“De koets” alleen is al tweehonderdduizend roebel waard. Het is perfect, niets meer of minder.’

Dat ‘De koets’ een buitengewoon vermakelijk verhaal is, daar waren de lezers het direct over eens. of het alléén  maar vermaak biedt: over het antwoord op die vraag bestaat minder consensus. Toen Gogol zijn verhaal publiceerde, zag de invloedrijke criticus Vissarion Belinski er niet meer dan een grap in. In 1975 keerde literatuurwetenschapper John Garrard zich tegen die lezing. ‘“Kolyaska” may be funny,’ schreef hij, ‘but it is no joke.’ In 2005 stelde Vladimir Sorokin (zonder overigens ‘De koets’ expliciet te noemen) een nog serieuzer lezing voor van Gogols proza. In een veelgeciteerd essay noemde Sorokin – die in de perestrojkatijd doorbrak met hardcore postmodern proza – Gogol het ultieme voorbeeld van een schrijver die lezers weet te raken. Gogol en de ‘eenvoudige lezers’ die een ‘zee van tranen’ vergieten bij Gogols klassieke proza: die laten voor hem bij uitstek zien waarom we ons moeten distantiëren van postmoderne ‘kilheid.’ Tranen prees Garrard ook in ‘De koets’. In zijn woorden belichaamde het verhaal de ‘laughter through tears’ die Gogols belangrijke literaire verdienste is.

‘Laughter through tears’: wat ‘De koets’ mooi maakt is de subtiele verhouding tussen die twee. In dit verhaal zijn Gogols tranen wel voelbaar, maar (nog) niet zichtbaar. Gogol publiceerde het op een breekpunt in zijn carrière: de satire van zijn vroege proza maakt in zijn late werk steeds meer plaats voor een prekerige toon. Ook Dode zielen eindigt allesbehalve jolig. In een vermaarde slotpassage komt de verteller, die tot dan vooral een dienende rol heeft in het verhaal, zelf aan het woord wanneer hij – ‘Rusland! Wat wil je van mij?’ – Rusland direct aanspreekt. Wie Gogols brieven kent weet dat de lijn tussen verteller en auteur hier dun is, en meer dan één criticus hekelt deze passage als te direct om literair effectief te zijn. Die kritiek kreeg ‘De koets’ nooit: met Tsjertokoetski’s verhaal stelt Gogol in feite dezelfde vraag, maar zo slim satirisch verpakt dat de vertelling de groten van zijn tijd imponeerde.

Van Gogol naar Google

Dichter en journalist Lev Rubinstein (1947) – dit jaar gast van Poetry International – is een internationaal gekende stem in de Russische literatuur van nu. Sociale media zijn voor deze schrijver onmisbaar: tussen 2010 en nu ontpopte Rubinstein zich als noest blogger, Twitteraar en (vooral) Facebook-gebruiker. Op Facebook – een medium waar veel progressieve, hoog opgeleide Russen hun dagelijkse portie intellectueel vermaak halen – publiceert hij in hoog tempo korte en soms langere teksten, die tot wel duizenden likes opleveren. En met reden: Rubinstein hoort tot de interessantste Russische schrijvers van nu.

Lev Rubinstein

In zijn online teksten bespreekt Rubinstein regelmatig de Russische politiek. Exemplarisch is zijn satirische blogpost, op 7 maart 2014, over de Russische inval op de Krim:

Als triomfantelijk karmozijn gerinkel klinkt de noodklok over heel ons onmetelijke Moederland, over ons grootse moedertje Rusland. De harten van alle Russen […] zijn in deze lentedagen maar van één ding vervuld. […] Want eindelijk is er een doel verschenen. Nee, geen persoonlijk, geen egoïstisch, geen triviaal doel. Niet de aankoop van een of andere stofzuiger of een chartervlucht naar Antalya. Nee. Een echt doel. Een gedeeld doel, een voor allen, een doel dat het waard is om voor te leven en te lijden. Verder te leven en te lijden. Een nationaal idee, zeg maar!

Deze lofzang persifleert listig de gezwollen retoriek van zowel Sovjet- als Poetineske autoriteiten. Andere politiek getinte sociale-mediaposts van Rubinstein schuwen directe spot. Nog geen week na zijn karmozijnen ode, op 11 maart, legt hij zijn Facebook-lezers uit waarom hij actief protesteert tegen Russische interventies in Oekraïne: voor hem is de tijd rijp om ‘zonder enige ironische distantie’ Sovjetslogans te scanderen van het type ‘Kinderen van alle volken, wij leven de droom van de vrede.’ Even direct is Rubinstein wanneer hij op 9 mei – in Rusland de jubileumdag van de Sovjetoverwinning in de Tweede Wereldoorlog – lezers moed inspreekt:

Veel mensen zeggen: men [de overheid – E.R.] heeft deze feestdag van ons gestolen. Ja, vloedgolven van agressieve banaliteit, van schreeuwerigheid, van hysterie […] – de laatste jaren nemen die alleen maar toe. Klopt. Toch ga ik op deze dag […] mijn moeders verhalen gedenken over die grootse nacht, toen niemand sliep, omdat iedereen op de MEDEDELING wachtte. En toen de mededeling arriveerde, stroomde heel Moskou de straat op en trok naar het centrum. Daar huilden we, lachten we en omhelsden onbekenden elkaar. […] Met ons geheugen is alles in orde. Daarom steelt niemand iets van ons. Gefeliciteerd met deze feestdag, vrienden [hoofdletters origineel – E.R.]

In postmoderne theorievorming is ironie een gevoelig onderwerp – maar Rubinsteins social-mediaposts laten mooi zien dat de smetvrees van veel postmoderne literatuurtheoretici voor het ironische onterecht is. In deze en andere blog-, Twitter- en Facebook-posts complementeert zijn ironie een schaamteloos beleden nostalgie en sociale betrokkenheid – net zoals ironie en nostalgie in het postmoderne in feite steeds ‘hand in hand’ lopen (ik citeer literatuurtheoretica Linda Hutcheon).

Net als Gogol verruilt Rubinstein overigens juist in zijn late werk satire vaak voor ernst, al blijft hij met voelbaar plezier spelen met taal en stijl (de hoofdletters van de MEDEDELING in de post hierboven; het pompeuze ‘nationaal idee’ naast het laconieke ‘zeg maar’ in zijn post van 7 maart). In dat opzicht lijkt Rubinstein ook op dezelfde ‘post-postmodernist’ Sorokin die Gogol zo prees in 2005. Net als Sorokin startte Rubinstein zijn carrière als klassiek postmodern auteur: zijn vroege poëzie is een deconstructivistisch spel met literaire en talige stijlen. Net als veel andere – ook niet-Russische – auteurs verliet hij die strategie in de loop van de jaren 1990. Rubinstein stapte toen niet alleen over naar non-fictie, maar in zijn journalistieke columns adopteerde hij een persoonlijker en (paradoxaal genoeg) lyrischer toon dan in zijn verzen. ‘Ik begon mezelf lyrische expressie toe te staan binnen bestaande structuren,’ zo omschreef hij die verandering eens voor me in een Moskous café. Critici spreken wel van Rubinsteins beweging, in die tijd, weg van het postmodernisme, of van zijn stap richting een ‘nieuw oprechte’ of post-ironische poëtica.

Welk label we op de Rubinstein van nu moeten plakken: die vraag mogen anderen beantwoorden. Relevanter vind ik de gelaagdheid die deze dichter tentoonspreidt in zijn benadering van Sjisjkins ‘“vervloekte” […] vraag’. ‘Wat moet men met deze regering en dit volk, die non-stop deze oorlogen voeren?’: de Rubinstein van nu weigert een eenduidig antwoord op die vraag. Het soms zo brute Rusland van Poetin en haar Sovjetverleden beschrijft hij door satire én met emotioneel engagement; via (soms bittere) spot én met innige, troostende ‘lyrische expressie’.

Post-‘Blut-und-Boden’-ironie

Hoe verhoudt zich Rubinsteins visie op Rusland en de Russische regering nu tot die van Gogol? Wie Gogols biografie kent, weet dat diens zoektocht naar de juiste toon hem fataal werd: het pathos dat het slot van Dode zielen typeert, was maar een opmaat. Met Dode zielen deel 2 en 3 wilde Gogol de catharsis en wedergeboorte van Tsjitsjikov als positieve Russische held beschrijven. Dat lukte niet: hij schreef aanzetten, was ontevreden, herschreef ze, bleef ontevreden, en werd uiteindelijk waanzinnig. Gogols ‘laughter through tears’ is prachtig als de lach overheerst, zoals in ‘De koets’, maar bij het verbeelden van tranen loopt deze auteur vast. Niet voor niets is zijn ironie een principieel didactische ironie: Gogols grappen en grollen verbergen steevast een bloedserieuze ideologische agenda.

Ironie en onverhuld engagement: Rubinstein lijkt ze wel succesvol aan elkaar te paren. Zowel in zijn sociale-mediaposts als in zijn publieke optredens lopen spel, spot en ernst even consistent als ogenschijnlijk conflictloos dooreen. Dat is niet verrassend. In de postmoderne kringen waarin Rubinstein zijn carrière begon benadrukte men juist de relativiteit van ideologieën, en de nationale idealen waar Gogol in geloofde – ‘Rusland! Wat wil je van mij?’ – zijn hem vreemd. Toch betekent dat postmoderne relativisme niet dat de Russische staat en natie voor Rubinstein non-existent zijn of dat hij zich er niet toe wil verhouden. Wat is Rusland, wie is haar bevolking, wie zijn haar leiders? Net als Gogol zoekt Rubinstein antwoorden op die vragen. En ook hij lacht soms door zijn tranen heen. Maar eerder dan een didactische is zijn ironie een post-‘Blut-und-Boden’-ironie – een die tegelijk radicaler (want zonder onderliggende utopische idealen) en milder (want geen zaak van alles of niets) is dan de didactisch-romantische variant van Gogol.

Kan Rubinsteins precaire combinatie van ironie en ernst een even groot stempel drukken op de Russische literatuur als Gogol? En zijn zijn posts ook politiek effectief? Dat weet ik niet, en die vragen doen er misschien ook niet doe. Wat wel vaststaat is dat het deze auteur lukt om, met even speelse als emotioneel geëngageerde online woordkunst, duizenden erudiete en door de postmoderne wol geverfde lezers te raken. Dat is, in het Rusland van 2015, een prestatie.

__________________________

Ellen Rutten is hoogleraar Slavische literaturen aan de Universiteit van Amsterdam; eerder was zij verbonden aan de universiteiten van Bergen, Cambridge, Groningen en Leiden. Haar onderzoek concentreert zich op post-Sovjetcultuur, media en literatuur in een globale context. Tot haar publicaties horen Unattainable Bride Russia (Northwestern UP 2010) en Memory, Conflict and New Media (Routledge 2013, ed. i.s.m. Fedor & Zvereva).

__________________________
Gogol Dode zielen

Nikolai Gogol, Dode zielen (Mjortvye doesji)
Vertaald uit het Russisch door Aai Prins
G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2014
ISBN: 9789028240537
464 pagina’s

__________________________
Gogol De verhalen

Nikolai Gogol, Nikolai Vasilevich Gogol, De verhalen en de Petersburgse vertellingen
Vertaald uit het Russisch door Aai Prins
G.A. van oorschot, Amsterdam, 2012
ISBN: 9789028240483
735 pagina’s

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s