‘Zulke verhalen mogen eigenlijk niet onopgemerkt blijven.’ Over Tijgerbaai van Pedro Rosa Mendes

Leve het … PORTUGEES.  • Essay over Pedro Rosa Mendes door Harrie Lemmens

Vertaler Harrie Lemmens blikt terug op zijn vertaling van Tijgerbaai van de Portugese auteur Pedro Rosa Mendes. Een helse, soms hallucinaire tocht van een Portugese journalist door Angola, een land in oorlog. Bij Van Gennep kreeg Lemmens de kans het te vertalen. Tijgerbaai kreeg mooie recensies, en voor sommige journalisten werd het zelfs een bijbel. Maar door een ongelukkig toeval kreeg het boek niet de tweede kans die het verdiende. 

Klik hier om deze bijdrage als pdf te downloaden.

Hoe het toeval mij de kans bood een boek te vertalen (en hoe datzelfde toeval een tweede kans voor het vertaalde boek in de weg stond). 

door Harrie Lemmens, foto’s Ana Carvalho

Niets is zo wispelturig als het toeval. Dertien jaar geleden kreeg ik, zoals wel vaker gebeurt, een boek ter beoordeling voorgelegd. Reisliteratuur. Een helse, soms hallucinaire tocht van een Portugese journalist door een land in oorlog, Angola. Ik vond het heel bijzonder, maar het vervulde me ook met twijfels: was het niet te specifiek Portugees? Zou het niet te veel kennis verlangen van de Nederlandse lezer en dus onleesbaar worden door een teveel aan noodzakelijke voetnoten? De uitgever besloot het niet te doen en mijn geweten knaagde.

Een paar maanden later schoot het toeval mij te hulp. Van Gennep had het boek gekocht en benaderde mij omdat de vertaler die aan de klus was begonnen er door omstandigheden van moest afzien. Ik greep de kans met beide handen aan en ben nog altijd blij dat ik dit magistrale boek heb kunnen vertalen. Helaas werd het geen verkoopsucces, ook dat gebeurt vaker: een schandalig gering aantal exemplaren vond een lezer. Daarover straks meer. Eerst naar de schrijver en het boek.

De schrijver

Pedro Rosa Mendes (1968, Cernache do Bonjardim, Portugal) studeerde rechten in Coimbra en werkte jarenlang als journalist voor de belangrijkste Portugese krant, O Público. In 1997 reisde hij van de Angolese naar de Mozambikaanse kust, ruim honderd jaar nadat de ontdekkingsreizigers Capello en Ivens hetzelfde hadden gedaan.[1] Terwijl zij dat deden in vreedzame tijden, woedde in 1997 de burgeroorlog nog steeds in Angola en was het land net als Mozambique bezaaid met mijnen. (‘Je vindt hier echt alles, ieder merk uit alle mogelijke landen, van ouderwets tot geavanceerd, van ijzer tot plastic, het is hopeloos,’ zegt iemand die bij de opruimingsdienst betrokken is. Tijgerbaai was zijn eerste boek. En misschien wel meteen zijn magnum opus.

1

Het boek

Drie hoofdstukken bevat Tijgerbaai: ‘Eindhalte’, ‘Afrika Hotel’ en ‘Stad van Ellende’. Als rode draad fungeert de reis van de journalist, met de problemen en tegenwerking die hij onderweg aan alle kanten ondervindt, en in die zin is dit een ‘klassiek’ reisverhaal. Maar Pedro Rosa Mendes doet meer. Aan die draad rijgt hij monologen, gedichten, gesprekken, historische uitweidingen, ja zelfs een filmscript, om de lezer inzicht te verschaffen in wat er gaande is in voormalig Portugees Afrika. Het is een eindeloze opsomming van gruwelen en corruptie van alle politieke kanten, met als slachtoffer het verminkte, honger en gebrek lijdende volk. Ronduit huiveringwekkend zijn verschillende levensverhalen die worden verteld, zoals van Justino, medeoprichter van de Mozambikaanse bevrijdingsbeweging Frelimo, die bij de vijand moet infiltreren en door alle partijen wordt gewantrouwd en vervolgd; of Daniel Libermann uit Angola, wiens vee door de regerende MPLA wordt gestolen; of Zeca Cambuta, die op een mijn is gelopen en ‘sterft in hoofdstukken’. Maar hij laat ook de kracht en inventiviteit zien van vissers, kleine handelaars, boeren, kinderen, een inventiviteit die niet alleen uit wanhoop (kinderen die met een vernuftige val meeuwen vangen om ze op te eten) voortkomt maar ook uit waardigheid (Joaquim Augusto Junqueira bijvoorbeeld die een eigen taal ontwikkelt en een eigen scheppingsverhaal bedenkt).

Tijgerbaai is een ronduit indrukwekkend boek, rijk aan informatie en aan emotie die nergens verwordt tot sentiment. Je wordt als lezer overrompeld door de wreedheid van een conflict en de wil van mensen om ondanks alles altijd weer overeind te krabbelen en door te gaan. Dat laat Pedro Rosa Mendes op overtuigende wijze zien door de kracht van zijn stijl. Het lijkt alsof dit boek over de schrijver zelf gaat, over zijn angst en over zijn moed, maar telkens als hij zichzelf portretteert, tekent hij in feite ‘de ander’. Hij maakt zichzelf tot personage, wordt daardoor één met het boek en verdwijnt als autobiograaf. Ik is een ander:

In iedere millimeter van deze grond zit het laatste ogenblik van mijn leven. Ik zie het zo ver als ik kan kijken. Daarom rijden ze me altijd ’s nachts. Ter bescherming. Mij best. Ook nu is het nacht en toch. Het is altijd nacht als ik van plaats verander. Bang ben ik niet meer, mijn angst is gedeserteerd. Terrein geworden. Wel mis ik solidariteit: ik kan me nergens aan vastklampen, want dat kan fataal zijn. De grond, de weg, de savanne, het land: angst is een landkaart en de dwang die die oplegt. Ik weet niet hoeveel dagen breed hij is. We trekken erdoorheen en het is nacht. Door de nacht trekken is alles wat ik heb.

2

Zulke verhalen mogen eigenlijk niet onopgemerkt blijven. Je moet dringender en dwingender dan ooit lezers vinden, of liever, het boek moet de lezers vinden die het zo verdient. Dat is geen geringe opgave, zeker als het gaat om reisliteratuur. Nog moeilijker wordt het bij vertaalde reisliteratuur – omdat de o zo belangrijke factor wegvalt dat het ‘een van ons’ is die daar avonturen belevend en zijn hachje wagend door de wereld trekt –, maar het wordt helemaal een hels karwei als het gaat om Portugeestalige reisliteratuur. De wereld bestaat uit en in talen, en voor veel lezers zijn dat er niet veel, ook al worden ze in vertaling aangeboden.

Gelukkig waren de recensies uitstekend en van een paar journalisten kreeg ik te horen dat Tijgerbaai voor hen eenzelfde Bijbel is geworden als het werk van die Poolse grootmeester Ryszard Kapuściński (ondanks of misschien juist dankzij diens fantasie!), die ook Pedro Rosa Mendes als voorbeeld diende.

Maar de lezers bleven uit, en toen de verkoop na een paar honderd exemplaren helemaal stokte, belandde het boek in de afgrond van de ramsj, het graf van alle (wereld)literatuur.

3

En dan gebeurt er een wonder. Tijgerbaai staat op uit zijn graf. In 2014 zendt de VPRO een reeks reisreportages uit onder de verzameltitel Dwars door Afrika. Bram Vermeulen trekt door het continent en doet daarbij ook Angola aan. Tot mijn grote vreugde zie en hoor ik hem voorlezen uit Pedro Rosa Mendes. Staande bij het huis van een kunst verzamelende kinderarts die op gruwelijke wijze werd vermoord. Ook andere delen van de reportage verwijzen naar Tijgerbaai.

De vreugde slaat om in teleurstelling als op geen enkele manier duidelijk wordt gemaakt uit welk boek werd voorgelezen. Niet in de film zelf en niet op de aftiteling. ‘Ten prooi gevallen aan de montage,’ schrijft Bram Vermeulen me later. ‘Ik heb het boek nog voor de camera gehouden, maar dat is eruit geknipt. Afschuwelijk, en ik schrok me wild toen ik het zag, want ik heb het boek altijd bij me, zo belangrijk vind ik het.’

Hoezo, vraag ik me af. Onwil van de regisseur? En waarom, want Kapuscinski’s Nog een dag, over de onafhankelijkheid van Angola en het begin van de burgeroorlog in 1975, waaruit ook wordt geciteerd, wordt wel netjes vermeld. ‘Een ongelukkig toeval,’ zegt de regisseuse, ‘alles moest zo snel en zo rigoureus worden ingekort dat zijn naam en de titel van het boek ongewild gesneuveld zijn. En toen ik het merkte, was het al te laat.’

Nee, niets is zo wispelturig als het toeval. Maar misschien kan de omroep het goedmaken door samen met uitgeverij Van Gennep Tijgerbaai opnieuw uit te brengen. Voor een derde kans.

4

Het fragment

Ik heb het niet zelf gezien. Carlos Seixas vertelde het me en ik zag het door zijn woorden:

De vuren gingen een voor een aan, ontstoken door de kou in de onverlichte avond. Honderden verminkten dromden met vrouwen en kinderen samen rond het vuur, zochten het comfort van de schaduw op en dwongen de dag nog even te schijnen. Ze spraken over de toekomst met hun rug naar de oorlog, maakten plannen, hoe klein hun hoop ook was, keken – degenen die nog zagen – naar de profetieën die verborgen lagen in de gloeiende houtskool. Het was de vooravond van de demobilisatie in Bonga, een opvangkamp voor oorlogsslachtoffers ten noorden van Huambo.

Ergens ontwaakte een trommel, op de achtergrond van de gesprekken. Onwaarneembare slagen die telkens harder klonken, geluidsfotogrammen in een stijgende reeks: een ritme verhief zich boven het knisteren van de stemmen. Ze keken naar hem, het geluid, de tamtam, de trommelaar. Dat was het eerste teken van gehoorzaamheid.

Het had iedereen kunnen zijn. Willekeurig wie. De enige macht van slaven is te worden gekozen. De tamtam greep een man, trok hem ruw los uit de doezeligheid van de drank, met een sprong die vlak bij het vuur eindigde, een sprong die de vlammen op zijn gladde voorhoofd wild liet flakkeren, die zijn lach gek maakte, die zijn halfgesloten gezicht met een duivelse vonk ontvlamde. Een man was onderworpen.

Het was zomaar een man. De tamtam versnelde het ritme, geselde de man ermee zonder hem aan te raken, zonder hem pijn te doen, maar hij haalde hem wel uit zijn vermoeidheid, liet hem hortende rondjes rennen terwijl hij klank na klank om hem heen sloeg, een zweep met knallende slagen die over de gebogen rug van de dansende man galoppeerden, een euforisch dier dat lachte in de eindeloze ronde piste van één enkele trommel.

Het was een gewone man. Zijn rechterbeen was tot bovenaan geamputeerd. Op een teken van hem kwam er een kind naar hem toe dat zijn houten been afschroefde en van het toneel verdween. Hij danste door op zijn linkerbeen.

De man danste rond de vlammen, hij danste wervelend met ze mee, op verzoek van iedereen, aangevuurd door duizend klappende handen en kreten, verloren in duizend duizelingen, hoog op één been met vleugels, hijgend met gezwollen tong, opgewonden, woest in het gisten van zijn eigen zweet. Een tyfoon van stemmen drong in zijn oren, bonkte in zijn halsaders en ontstak zijn vingers in stuiptrekkingen, de vingers aan het uiteinde van een lijf dat zich blindelings overgaf aan zijn meester, zijn enige heer, de God van de Dorst en de Vergetelheid.

De tamtam riep een andere man, een willekeurige andere man, uit het donker gespuwd door een lawine van kreten en klappende handen. Het was een gewone man. Zijn linkerbeen was tot bovenaan geamputeerd. Een kind liep naar hem toe, schroefde zijn houten been af en verdween ermee van het toneel.

De twee mannen dansten nu, gek geworden door die kans om te dansen, dat zeldzame feest, de symmetrie van hun beider ellende en de snelheid waarmee het ging. Ze omarmden elkaar en tolden op het ritme rond het vuur, de slapen glinsterend van het zweet en de ogen gesloten door de vermoeidheid in hun borst, lijven, beenderen en gebaren samensmedend op de onafgebroken orders van de trom.

De trommel kreeg het publiek in zijn greep, dat ineengekrompen van de kou op de grond zat, gehypnotiseerd door het schouwspel. Een koortsrilling trok door de trommelaar toen de ritmische, steeds snellere bewegingen van zijn handen zijn hele lijf in bezit namen en overgingen op de knieën die in zijn rug staken, en vervolgens op andere lichamen, op hen allemaal, in een oceanische stuiptrekking.

Het paar danste, danste almaar door. Stof steeg op van hun geamputeerde benen, steeds meer stof en steeds sneller, tot een oranje, helse, neonachtige wolk uit het vuur de omarmde dansers omarmde. In de collectieve extase verdween het danspaar in zichzelf, het versmolt te midden van het stof en het vuur en het ritme en de kreten en de opwinding en de waanzin, en de twee geamputeerden werden dansend een nieuwe man, een maar-één-man. Een volledige man, met een linkerbeen en een rechterbeen, een ondeelbare danser met voeten van vlees en tien evenwichtskootjes, een compleet schepsel, een normale man – een zoon van God en dus volmaakt.

Een kortstondige zoon van Bonga.

De tamtam liet de menigte slechts zo lang de adem inhouden tot hij er zeker van was dat ze ook echt de adem inhield, toen brak hij zichzelf abrupt af en stortte het feest in een afgrond. De trommelaar, eindelijk vrij, viel uitgeput flauw.

Twee kinderen kwamen toegelopen door het stof en schroefden twee houten benen vast.

5

__________________________

[1] Een verslag van die reis is te vinden in mijn boek De vorst, de soldaat en de reiziger. Vier eeuwen Portugal-Angola. Atlas, Amsterdam 2007.

__________________________

Harrie Lemmens vertaalde proza en poëzie uit het Duits, Engels, Spaans en vooral Portugees, onder anderen van Pessoa, Eça de Queiroz, Saramago, Agualusa, Rentes de Carvalho, Mia Couto, Dulce Maria Cardoso, Cormac McCarthy, Christoph Hein, João Ubaldo Ribeiro, Machado de Assis, António Lobo Antunes en Gonçalo M. Tavares. In 2006 kreeg hij de vertaalprijs van het Nederlandse Fonds voor de Letteren. In 2014 verscheen zijn boek over Brazilië God is een Braziliaan. Daarnaast schrijft hij recensies, essays en andere stukken. Zie ook www.harrielemmens.nl.

Ana Carvalho is fotograaf en (literair) vertaler. Ze exposeerde in Brussel, Amsterdam, Utrecht, Porto, Matosinhos, Haarlem en de Algarve, en vertaalde werk van onder anderen Hugo Claus, Thomas Mann, Cees Nooteboom, Adriaan van Dis en Judith Herzberg. Zie ook www.anacarvalho.nl.

__________________________

Pedro Rosa Mendes, Tijgerbaai (Baía dos Tigres)
Vertaald uit het Portugees door Harrie Lemmens
Van Gennep, Amsterdam, 2003
ISBN: 9789055153350
431 pagina’s

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s